Rb. Overijssel 5 juni 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:3195

Dit kort geding gaat over een verzoek tot opheffing van een maritaal beslag en een verzoek tot uitkering van depotgelden die bij een notaris staan. Na een echtscheiding hebben de man en de vrouw een geschil over de afwikkeling en verdeling van de huwelijksgemeenschap. Hangende de bodemprocedure bij de familierechter, heeft de man beslag gelegd op het aan de vrouw toekomende deel van de netto-verkoopopbrengst van de echtelijke woning, dat op de derdengeldrekening van een notaris staat. In dit kort geding vordert de vrouw opheffing van het beslag en een veroordeling van de notaris om tot uitkering van de depotgelden over te gaan. Het beslag wordt door de voorzieningenrechter opgeheven, omdat in de bodemprocedure door de rechter is geoordeeld dat de man in dit kader geen vordering heeft op de huwelijksgemeenschap. De standpunten van de man dat hij (i) het niet eens is met de beslissing in de bodemprocedure en hoger beroep gaat aantekenen en (ii) een restitutierisico loopt indien de notaris de depotgelden gaat uitkeren, leggen onvoldoende gewicht in de schaal in verhouding tot het oordeel van de rechter in de bodemprocedure. De overige vorderingen van de vrouw worden afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken