Rb. Overijssel 13 maart 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:1334
Deze zaak gaat over een vrachtwagenchauffeur uit Tadzjikistan, die op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam is voor een transportbedrijf uit Litouwen. De werknemer stelt een loonvordering op zijn werkgever te hebben. Om zijn vordering kracht bij te zetten, heeft de werknemer op 6 februari 2026 de vrachtwagen waarin hij reed geparkeerd op een parkeerplaats langs een Nederlandse snelweg. Sindsdien verblijft hij in de cabine van de vrachtwagen. De werknemer beroept zich daarbij op een retentierecht. De werkgever is een kort geding gestart, waarin wordt gevorderd dat de werknemer de aan de werkgever in eigendom toebehorende vrachtwagen moet verlaten, op straffe van een dwangsom. De werknemer heeft een tegenvordering ingesteld, gericht op (een voorschot op) achterstallige loonbetalingen. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer zich terecht op een retentierecht beroept, omdat – naar het voorlopige oordeel in kort geding – vast is komen te staan dat de werknemer een opeisbare loonvordering op de werkgever heeft en ook voor het overige aan de vereisten voor het rechtsgeldig inroepen van een retentierecht is voldaan. De vordering van de werkgever wordt afgewezen en die van de werknemer toegewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl