Rb. Overijssel 14 januari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:119
In de kern gaat dit geschil over de vraag of gedaagde 1 en/of gedaagde 2 onrechtmatig hebben gehandeld ten opzichte van eiser. Eiser en gedaagde 1 waren (via een STAK) certificaathouders van het bedrijf, daarnaast was gedaagde 1 enig bestuurder van het bedrijf en gedaagde 2 was werknemer van het bedrijf. Volgens eiser hebben gedaagde 1 en gedaagde 2 het bedrijf failliet laten gaan, om concurrerende werkzaamheden te kunnen uitvoeren in een nieuw opgerichte onderneming. Daardoor heeft eiser schade geleden, die hij vergoed wil zien. Ook hebben gedaagde 1 en gedaagde 2 volgens eiser boetes verbeurd wegens overtreding van de aandeelhoudersovereenkomst. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser zijn verwijten aan het adres van gedaagde 1 en gedaagde 2 onvoldoende heeft onderbouwd, zodat zijn vorderingen worden afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Conclusie A-G de Bock 20 december 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1396
- HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1058
- HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:73
- HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404
- HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9654
- HR 17 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2955
- HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758
- HR 7 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0500
- HR 9 december 1955, ECLI:NL:HR:1955:47