Rb. Overijssel 13 februari 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:838
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 22 maanden. De verdachte is schuldig bevonden aan feitelijke leiding geven aan het opzettelijk plegen van belastingfraude, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, leiding geven aan valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon en deelneming aan een criminele organisatie.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08/996243-17 (P)
Datum vonnis: 13 februari 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [woonplaats] ,
nu verblijvende in het Justitieel Complex [locatie] .
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 13 oktober 2022, 17 november 2022, 25 november 2024, 26 november 2024, 28 november 2024, 9 januari 2025 en 13 februari 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie en van wat door verdachtes bepaaldelijk gemachtigde raadsman mr. C.Y. Kekik, advocaat in Rotterdam, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte wordt verweten:
feit 1: betrokkenheid als opdrachtgever of feitelijke leidinggever bij omzetbelastingfraude in de periode van 28 april 2015 tot en met 27 juli 2016 door [bedrijf 1] B.V.;
feit 2: betrokkenheid als opdrachtgever of feitelijke leidinggever bij valselijk opmaken en/of vervalsen van de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] B.V. in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016;
feit 3: deelname, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 26 januari 2017, aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van valsheid in geschrift, belastingfraude en witwassen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
[bedrijf 1] B.V. op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 april 2015 tot en met 27 juli 2016, in de gemeente(n) Apeldoorn en/of Almelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, als ondernemer in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968, (telkens) opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (digitale) aangifte voor de omzetbelasting over:
- het eerste kwartaal van 2015 en/of
- het tweede kwartaal van 2015 en/of
- het derde kwartaal van 2015 en/of
- het vierde kwartaal van 2015 en/of
- het eerste kwartaal van 2016 en/of
- het tweede kwartaal van 2016,
onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, en/of heeft laten doen, bij de Inspecteur der belastingen / de Belastingdienst, terwijl dat feit/die feiten er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven, tot het plegen van welke bovenomschreven strafba(a)ar(e) feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, en/of aan welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.
althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt, SUBSIDIAIR,
hij op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 april 2015 tot en met 27 juli 2016, in de gemeente(n) Apeldoorn en/of Almelo en/of [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, (telkens) opzettelijk een of meer (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting, op naam van [bedrijf 1] B.V. over:
- het eerste kwartaal van 2015 en/of
- het tweede kwartaal van 2015 en/of
- het derde kwartaal van 2015 en/of
- het vierde kwartaal van 2015 en/of
- het eerste kwartaal van 2016 en/of
- het tweede kwartaal van 2016,
zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - op/in die (digitale) aangifte(n) omzetbelasting (telkens) een onjuist te betalen bedrag aan omzetbelasting en/of een onjuist bedrag aan voorbelasting opgegeven, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken;
althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt, MEER SUBSIDIAIR,
[bedrijf 1] B.V. op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 april 2015 tot en met 27 juli 2016, in de gemeente(n) Apeldoorn en/of Almelo en/of [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, (telkens) opzettelijk een of meer, (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting op naam van [bedrijf 1] B.V. over:
- het eerste kwartaal van 2015 en/of
- het tweede kwartaal van 2015 en/of
- het derde kwartaal van 2015 en/of
- het vierde kwartaal van 2015 en/of
- het eerste kwartaal van 2016 en/of
- het tweede kwartaal van 2016,
zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - op/in die (digitale) aangifte(n) omzetbelasting (telkens) een onjuist te betalen bedrag aan omzetbelasting en/of een onjuist bedrag aan voorbelasting opgegeven, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, en/of aan welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
2.
[bedrijf 1] B.V. op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 31 december 2016, in de gemeente(n) [plaats 1] en/of [plaats 3] althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, (telkens) de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] B.V. over het/de
ja(a)r( en) 2015 en/of 2016,
-(elk) zijnde een samenstel van geschriften welke in onderlinge samenhang bestemd zijn om te dienen tot bewijs van het daarin gestelde, althans (elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken en/of dat vervalsen hierin bestaan dat (telkens) in die bedrijfsadministratie is opgenomen een of meer factu(u)r(en),
waaronder (onder meer):
- een factuur van [bedrijf 2] B.V. gericht aan [bedrijf 1] B.V., met factuurnummer [nummer 1] , gedateerd 16-01-2015, [vindplaats document d-54/p.1159] en/of
- een creditnota van [bedrijf 1] B.V gericht aan [bedrijf 3] , met klantnummer 17, gedateerd 30-03-2015, [vindplaats documentd-36/p.1140] en/of
- een factuur van [bedrijf 4] gericht aan [bedrijf 1] BV, met factuurnummer [nummer 2] , gedateerd 09-07-2015, [vindplaats document d-42/p.1147]
en/of
- een factuur van [bedrijf 5] gericht aan [bedrijf 1] B.V., met factuurnummer 2015159, gedateerd 10-11-2015, [vindplaats document d-47/p.1152 en/of
- een factuur van [bedrijf 6] B.V. gericht aan [bedrijf 1] B.V., met factuurnummer [nummer 3] , gedateerd 07-01-2016, [vindplaats document d-11/p.1095] en/of
- een factuur van [bedrijf 7] B.V. gericht aan [bedrijf 1] B.V., met factuurnummer [nummer 4] , gedateerd 09-03-2016, [vindplaats document d-37/p.1142] en/of
- een factuur van [bedrijf 6] B.V. gericht aan [bedrijf 1] B.V., met factuurnummer [nummer 5] , gedateerd 16-06-2016, [vindplaats document d-459/p.1437] en/of
- een factuur van [bedrijf 8] gericht aan [bedrijf 1] B.V., met factuurnummer [nummer 6] , gedateerd 19-12-2016, [vindplaats document d-27/p.1115],
terwijl op genoemde factu(u)r(en) (telkens) werkzaamheden en/of inkopen en/of verkopen werd(en) vermeld die in werkelijkheid, geheel en/of gedeeltelijk niet hebben plaatsgevonden,
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, en/of aan welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt, SUBSIDIAIR,
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 31 december 2016, in de gemeente(n) [plaats 1] en/of [plaats 3] althans in Nederland, tezamen en in-vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, (telkens) de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] B.V. over het/de ja(a)r( en) 2015 en/of 2016,
- (elk) zijnde een samenstel van geschriften welke in onderlinge samenhang bestemd zijn om te dienen tot bewijs van het daarin gestelde, althans (elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken
of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, (telkens) met het
oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door
anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken en/of dat vervalsen
hierin bestaan dat (telkens) in die bedrijfsadministratie is opgenomen een of
meer factu(u)r(en), waaronder (onder meer):
- een factuur van [bedrijf 2] B.V. gericht aan [bedrijf 1] B.V.,
met factuurnummer [nummer 1] , gedateerd 16-01-2015, [vindplaats document
d-54/p.1159] en/of
- een creditnota van [bedrijf 1] B.V gericht aan [bedrijf 3] , met klantnummer 17, gedateerd 30-03-2015, [vindplaats document d-36/p.1140] en/of
- een factuur van [bedrijf 4] gericht aan [bedrijf 1] BV, met factuurnummer [nummer 2] , gedateerd 09-07-2015, [vindplaats document d-42/p.1147]
en/of
- een factuur van [bedrijf 5] gericht aan [bedrijf 1] B.V., met factuurnummer 2015159, gedateerd 10-11-2015, [vindplaats document d-47/p.1152 en/of
- een factuur van [bedrijf 6] B.V. gericht aan [bedrijf 1] B.V., met factuurnummer [nummer 3] , gedateerd 07-01-2016, [vindplaats document d-11/p.1095] en/of
- een factuur van [bedrijf 7] B.V. gericht aan [bedrijf 1] B.V., met factuurnummer [nummer 4] , gedateerd 09-03-2016, [vindplaats document d-37/p.1142] en/of
- een factuur van [bedrijf 6] B.V. gericht aan [bedrijf 1] B.V., met factuurnummer [nummer 5] , gedateerd 16-06-2016, [vindplaats document d-459/p.1437] en/of
- een factuur van [bedrijf 8] gericht aan [bedrijf 1] B.V., met factuurnummer [nummer 6] , gedateerd 19-12-2016, [vindplaats document d-27/p.1115],
terwijl op genoemde factu(u)r(en) (telkens) werkzaamheden en/of inkopen en/of verkopen werd(en) vermeld die in werkelijkheid, geheel en/of gedeeltelijk niet hebben plaatsgevonden;
3.
hij op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 31 december 2016 in de gemeente(n) [plaats 2] en/of [plaats 1] en/of Almelo en/of [plaats 3] en/of Arnhem en/of [plaats 7] dan wel elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) heeft deelgenomen aan een organisatie, die gevormd werd door
- [medeverdachte 1] en/of
- [verdachte] en/of
- [medeverdachte 2] en/of
- [bedrijf 1] B.V. en/of
een of meer andere (rechts)perso(o)n(en),
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten
- het plegen van valsheid in geschrift en/of
- het plegen van belastingfraude en/of
- het plegen van witwassen.
3 De voorvragen
3.1 Geldigheid van de dagvaarding
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de dagvaarding een opgave moet behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn, alsmede met vermelding van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Bij de uitleg van deze bepaling staat de vraag centraal of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. Ook voor de rechter moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn. De eis van ”opgave van het feit” wordt zo uitgelegd dat het tenlastegelegde in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk moet zijn, in de tweede plaats niet innerlijk tegenstrijdig en in de derde plaats voldoende feitelijk.
Onder feit 2 wordt verdachte, kort gezegd, verweten dat hij als opdrachtgever of feitelijke leidinggever betrokken is geweest bij het valselijk opmaken en/of vervalsen van de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] B.V. (hierna ook: [bedrijf 1] B.V.) door één of meerdere facturen in die administratie op te nemen. Vervolgens wordt in de tenlastelegging met de zinsnede ”waaronder (onder meer)” tot uiting gebracht, naar de rechtbank begrijpt, dat de specifiek genoemde facturen behoren tot een veelheid van facturen die niet nader zijn omschreven. De rechtbank is (ambtshalve) van oordeel dat gezien de omvang van het dossier en de grote hoeveelheid facturen die daarin is opgenomen, wat er vanuit taalkundig oogpunt ook zij van genoemde zinsnede, onvoldoende duidelijk is op welke andere facturen dan de specifiek genoemde de tenlastelegging doelt. Voor wat betreft de aangehaalde zinsnede zal de rechtbank de tenlastelegging dan ook partieel nietig verklaren en de woorden “waaronder (onder meer)” schrappen.
Hetgeen na deze partiële nietigverklaring van de tenlastelegging onder feit 2 resteert, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk en bepaald, nu het onder dat feit aan verdachte gemaakte verwijt is beperkt tot de daar specifiek genoemde facturen. Daarmee is ook voor verdachte duidelijk, zoals ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waartegen hij zich dient te verdedigen.
Naar het oordeel van de rechtbank is de dagvaarding voor het overige dan ook geldig.
3.2 De overige vragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. De bewijsoverwegingen
4.0 Woord vooraf
De zaak tegen verdachte maakt deel uit van het strafrechtelijk onderzoek “ [medeverdachte 1] ”. In dit strafrechtelijk onderzoek is van maart 2017 tot 19 februari 2019 onderzoek gedaan omdat het vermoeden van omzetbelastingfraude met handel in sloopzilver was gerezen. Aanvankelijk richtte het onderzoek zich op [bedrijf 1] B.V. Dit onderzoek is later uitgebreid naar [bedrijf 9] B.V. (hierna ook: [bedrijf 9] B.V.). Het vermoeden is ontstaan dat een btw-carrouselfraude is opgezet.
Het FIOD-onderzoek heeft twee strafdossiers opgeleverd, te weten [nummer 7] / [bedrijf 1] B.V. en [nummer 7] / [bedrijf 9] B.V. Beide dossiers bevatten (deels overlappende) overzichtsprocessen-verbaal. Beide dossiers beschikken over een documenten- en ambtshandelingenbibliotheek. Een deel van de documenten en ambtshandelingen komt, onder dezelfde nummering en benaming, in beide dossiers voor. Een ander deel komt slechts in één van beide strafdossiers voor, terwijl de inhoud van dat document belang heeft voor het gehele onderzoek. De rechtbank noemt als voorbeeld DOC-406. Dit document is onder de naam “Zilverleveringen van [bedrijf 9] aan [bedrijf 10] ” alleen opgenomen in het dossier [bedrijf 9] B.V., terwijl ook de zilverleveringen van [bedrijf 1] B.V. in het document zijn opgesomd. Als tweede voorbeeld noemt de rechtbank DOC-012. Dit document is aan verdachte [medeverdachte 3] voorgehouden tijdens diens verdachtenverhoor. Het verhoor is in beide dossiers opgenomen, terwijl DOC-012 slechts in het [bedrijf 9] -dossier is opgenomen.
Ter terechtzitting heeft de rechtbank vastgesteld dat aan (de verdediging van) alle verdachten steeds beide dossiers zijn verstrekt. De rechtbank heeft beide dossiers aan de verdachten voorgehouden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen beide dossiers niet los van elkaar beoordeeld worden. De rechtbank heeft de redengevende feiten en omstandigheden uit beide dossiers afgeleid. Voor de leesbaarheid van dit vonnis wordt in de voetnoot telkens verwezen naar het nummer en de naam van het betreffende document. Het daaropvolgende paginanummer verwijst vervolgens naar de vindplaats, in één van beide dossiers, ongeacht de vraag of het document in alleen dat dossier of beide dossiers voorkomt.
4.1 Inleiding
De term “btw-carrouselfraude” wordt gebruikt voor een samenstel van strafbare, frauduleuze, gedragingen waarbij minimaal één bedrijf (een zogenaamde “ploffer”) in een handels- en facturenketen wel btw in rekening brengt bij zijn afnemers, maar die btw niet afdraagt aan de fiscus. De schakels in de handelsketen na de ploffer – zogenaamde “buffers” – vragen de aan hen gefactureerde btw terug. De namen en btw-nummers van bedrijven die als ploffer fungeren worden meestal maar korte tijd gebruikt, waarna de activiteiten worden gestaakt. Dit gaat veelal gepaard met een ontbinding of faillissement, waarna een nieuwe ploffer de plaats van de eerdere ploffer inneemt. De Belastingdienst kan vervolgens de eerste ploffer niet meer aanspreken op zijn fiscale verplichtingen. De meeste bestuurders van de bedrijven die fungeren als ploffer of buffer zijn slechts formeel leidinggevende en niet feitelijk betrokken bij de ondernemingen; zij zetten de bedrijven en bankrekeningen slechts op naam van “katvangers”. Het komt ook voor dat bestuurders van de bedrijven die fungeren als ploffers onwetend zijn dat het (veelal: inactieve) bedrijf gebruikt wordt voor de aanwas van facturen waarop BTW vermeld is. Dit gebeurt dan met valse facturen of creditfacturen. Eén van de kenmerken van btw-carrouselfraude is dat sprake is van een prijsval: ploffers factureren goederen aan bufferbedrijven voor een lager bedrag dan waarvoor die aan de ploffers waren gefactureerd. Deze prijsval kan alleen worden gerealiseerd doordat plofferbedrijven geen btw afdragen. De “winst” die ten gevolge van deze handelwijzen ontstaat, wordt doorgaans over de diverse schakels verdeeld.
De rechtbank stelt voorop dat een btw-carrousel alleen dan goed kan werken als elke schakel in de factuurstroom van die carrousel daarvan op de hoogte is, met uitzondering van eventuele onwetend betrokken schakels die überhaupt geen kennis hebben van de betreffende fictieve handelstransacties en onwetend moeten blijven, zodat het risico op doorbreking van die carrousel door een deelnemer is uitgesloten. Tenzij nadrukkelijk anders blijkt, gaat de rechtbank er daarom in beginsel vanuit dat de deelnemer aan een ‘goederen’- en factuurstroom in de btw-carrouselfraude weet dat sprake is van vooraf georganiseerde handel, waarbij er in de keten van bedrijven enkel winst kan worden gegenereerd omdat de zogenaamde ploffer de door hem in rekening gebrachte btw niet afdraagt.
In het onderzoek naar het handelen van [bedrijf 1] B.V. heeft de FIOD over de jaren 2015 en 2016 tien bedrijven aangemerkt als ploffers. [bedrijf 1] B.V. werd aangemerkt als vermoedelijke buffer.
In het onderzoek naar het handelen van [bedrijf 9] B.V. heeft de FIOD over de jaren 2017 en 2018 14 bedrijven aangemerkt als vermoedelijke ploffers. [bedrijf 9] B.V. werd aangemerkt als vermoedelijke buffer.
De verdenking is dat [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 9] B.V. omzetbelastingfraude hebben gepleegd door (op papier) op grote schaal (sloop)zilver in te kopen van de hiervoor bedoelde ploffers. [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 9] B.V. maakten daarbij gebruik van valse facturen van Nederlandse leveranciers, terwijl het sloopzilver in werkelijkheid bij ondernemers in andere lidstaten van de Europese Unie of Turkije zou zijn ingekocht. Volgens de FIOD hebben [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 9] B.V. vervolgens de omzetbelasting die op deze valse facturen was vermeld in de aangiften voor de omzetbelasting ten onrechte in vooraftrek gebracht dan wel teruggevraagd als voorbelasting.
4.2 Het standpunt van de officier van justitie
De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard.
4.3 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Daartoe is het volgende – verkort weergegeven – aangevoerd.
De raadsman heeft primair aangevoerd dat geen sprake is geweest van schijnhandel tussen [bedrijf 1] B.V. en de ondernemingen die in het dossier zijn vermeld. De in de tenlastelegging opgenomen facturen hebben betrekking op werkelijke transacties. Subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte op de hoogte was van de btw-fraude. Voorts heeft de raadsman verzocht de verklaring van [medeverdachte 3] niet te bezigen voor het bewijs, aangezien deze verklaring als onbetrouwbaar moet worden beschouwd.
Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken aangezien de bestanddelen deelneming, oogmerk en organisatie niet wettig en overtuigend bewezen zijn.
4.4 Het oordeel van de rechtbank
4.4.1 De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en van hetgeen ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
4.4.1.1 Aanleiding en tijdlijn
4.4.1.1.1 Boekenonderzoek [bedrijf 6] B.V.
Bij leveringen binnen de Europese Unie geldt ter zake van btw als vertrekpunt het nultarief. Bij intracommunautaire leveringen van goederen of diensten hoeft geen btw in rekening te worden gebracht door de verkoper. Daartoe is vereist dat de verkoper periodiek haar intracommunautaire leveringen meldt aan de belastingdienst binnen het EU-land waar zij gevestigd is (listing). De door verkopers geliste intracommunautaire leveringen worden door de lidstaten in het VAT Information Exchange System (VIES) met elkaar gedeeld. De afnemer in het andere EU-land (in deze zaak Nederland) dient in de aangifte voor de omzetbelasting aan te geven tot welk bedrag zij vanuit andere EU-landen goederen heeft verworven. Dit bedrag wordt vergeleken met de listingen vanuit het VIES. Indien de informatie in het VIES niet overeenkomt met het bedrag dat door de afnemer (in dit geval in Nederland) in de aangifte voor de omzetbelasting is aangegeven, dan is sprake van een mismatch.
In 2016 heeft de Belastingdienst ten aanzien van de onderneming [bedrijf 6] B.V. een mismatch geconstateerd. Uit het VIES volgde dat het Tsjechische bedrijf [bedrijf 11] S.R.O. intracommunautaire leveringen aan [bedrijf 6] B.V. had gelist. In de aangiften voor de omzetbelasting van [bedrijf 6] B.V. waren deze intracommunautaire verwervingen niet aangegeven. Naar aanleiding van deze mismatch heeft de Belastingdienst op 30 juni 2016 een boekenonderzoek ingesteld op het bedrijfsadres van [bedrijf 6] B.V. aan [adres 1] in [plaats 1] .
Blijkens de gegevens uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel bestonden de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 6] B.V. uit “advisering op het gebied van management en bedrijfsvoering” en “het verlenen van diensten, met name op het gebied van het organiseren en uitvoeren van arbeidsprocessen van cliënten, al dan niet met eigen machines en/of hulpmiddelen”. De bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 6] B.V. was de heer [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] verklaarde tijdens het boekenonderzoek dat hij met zijn onderneming [bedrijf 6] B.V. edelmetalen had gekocht van [bedrijf 11] S.R.O. en dat deze goederen waren doorverkocht aan [bedrijf 1] B.V. en dat ter zake van al deze verkopen facturen waren uitgeschreven.
[bedrijf 1] B.V. werd opgericht op 2 oktober 2014 en is gevestigd geweest op de adressen [adres 2] in [plaats 2] en (later) [adres 3] in [plaats 1] . Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel bestonden de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] B.V. uit “groothandel in juweliersartikelen en uurwerken”. Uit de historie van de uitgetreden functionarissen van [bedrijf 1] B.V blijkt dat [bedrijf 12] B.V. en [bedrijf 13] B.V. van 2 oktober 2014 tot 16 september 2016 de bestuurders van [bedrijf 1] B.V waren. De enige bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 12] B.V. was medeverdachte [medeverdachte 1] . De enige bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 13] B.V was verdachte [verdachte] tot 27 december 2017 en daarna [naam 1] .
4.4.1.1.2 Derdenonderzoek [bedrijf 1] B.V.
Naar aanleiding van de bevindingen tijdens het boekenonderzoek bij [bedrijf 6] B.V., heeft de Belastingdienst op 12 juli 2016 een derdenonderzoek ingesteld bij [bedrijf 1] B.V. op het adres [adres 2] in [plaats 2] . Uit het onderzoek bleek dat [bedrijf 1] B.V. sloopzilver had ingekocht, achtereenvolgend bij de bedrijven [bedrijf 2] B.V. (april 2015), [bedrijf 4] B.V. (van mei tot en met september 2015) en [bedrijf 6] B.V. op het moment van het derdenonderzoek (vanaf oktober 2015). Blijkens de aangetroffen facturen had [bedrijf 1] B.V. van deze bedrijven voor totaalbedragen (inclusief btw) van € 219.791,74, € 706.459,36 respectievelijk € 398.031,09 in 2015 en € 2.224.323,99 in 2016 aan sloopzilver ingekocht.
Naar aanleiding hiervan hebben de controleambtenaren de geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst geraadpleegd. Hieruit volgde dat [bedrijf 6] B.V. in het jaar 2015 een nihilaangifte en in het jaar 2016 in het geheel geen aangiften voor de omzetbelasting had ingediend. Per 1 augustus 2016 is het btw-identificatienummer van [bedrijf 6] B.V. ingetrokken. [medeverdachte 3] is medegedeeld dat hij aangemerkt werd als verdachte van het opzettelijk onjuist doen van aangifte voor de omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2015 en het niet doen van de aangiften over het eerste en het tweede kwartaal van 2016. [medeverdachte 3] gaf hierop aan dat hij alles wilde rechtzetten en dat het tijd was om de zaak onder vier ogen te bespreken. Op 3 augustus 2016 heeft [medeverdachte 3] tegenover de controleambtenaren van de Belastingdienst een spontane verklaring afgelegd. [medeverdachte 3] verklaarde dat hij naar aanleiding van het boeken- en derdenonderzoek van de Belastingdienst was bedreigd door mensen uit [plaats 2] en dat hij doodsbang was. [medeverdachte 3] verklaarde dat hij slechts een klein radertje was in een groot Turks netwerk. [verdachte] en [medeverdachte 1] zouden contacten hebben met prominente Turkse personen. [medeverdachte 3] verklaarde dat hij door financiële problemen in contact was gekomen met de mensen uit [plaats 2] . Zij vertelden hem hoe hij de verkoopfacturen van [bedrijf 6] B.V. aan [bedrijf 1] B.V. moest opmaken.
Controleambtenaren van de Belastingdienst hebben een voortzetting van het derdenonderzoek bij [bedrijf 1] B.V. aangekondigd. Dit heeft op 22 en 23 augustus 2016 plaatsgevonden. [medeverdachte 1] en de belastingadviseur van [bedrijf 1] B.V., [naam 2] , waren bij het derdenonderzoek aanwezig. [naam 2] heeft ten behoeve van het derdenonderzoek het inkoopboek overgelegd waarin de inkopen van [bedrijf 1] B.V. over het jaar 2015 en over eerste halfjaar van 2016 waren geboekt (hierna ook: inkoopboek G&W). Volgens het overgelegde inkoopboek en de bijbehorende facturen had [bedrijf 1] B.V. over de jaren 2015 en 2016 sloopzilver ingekocht van de ondernemingen [bedrijf 14] B.V., [bedrijf 3] B.V., [bedrijf 15] B.V. / [bedrijf 15] , [bedrijf 2] B.V., [bedrijf 4] B.V. en [bedrijf 6] B.V.
Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt hier volstaan met op te merken dat uit onderzoek van de Belastingdienst verder bleek dat, voor zover in deze zaak relevant, geen van deze leveranciers (correcte) aangiften voor de omzetbelasting over 2015 of 2016 heeft ingediend (verwezen wordt naar de overwegingen in paragraaf 4.4.1.2).
Naar aanleiding van de bevindingen uit de derdenonderzoeken van 12 juli 2016 en 22 en 23 augustus 2016, werd in september 2016 de zaak aangemeld voor strafrechtelijk onderzoek.
4.4.1.1.3 Boekenonderzoek [bedrijf 1] B.V.
Op 30 december 2016 heeft [naam 3] , namens de Belastingdienst, per e-mailbericht aangekondigd een onderzoek in te stellen naar de geclaimde voorbelasting over het vierde kwartaal van 2016 door [bedrijf 1] B.V. De aankondiging was gericht aan [medeverdachte 1] . Op 2 januari 2017 heeft [naam 4] op de e-mail van [naam 3] gereageerd. [naam 4] schreef dat hij sinds september 2016 de enig aandeelhouder en bestuurder was van [bedrijf 1] B.V. [naam 3] en [naam 4] spraken af dat het boekenonderzoek op 13 februari 2017 zou plaatsvinden.
Blijkens informatie uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel was [naam 4] per 16 september 2016 enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] B.V. Volgens de akten van leveringen van 16 september 2016 en 18 oktober 2016 waren de aandelen van [bedrijf 1] B.V. in twee leveringen overgedragen door [bedrijf 12] B.V. en [bedrijf 13] B.V. aan [naam 4] voor € 100.000,00. De koopprijs werd volledig betaald vanaf de bankrekening van [bedrijf 1] B.V. [naam 4] heeft het boekhoudkantoor [bedrijf 16] , vertegenwoordigd door medeverdachte [medeverdachte 2] , gevolmachtigd om gedurende een periode van drie jaren de zaken van [naam 4] met de Belastingdienst en overige financiële en fiscale instanties te beheren, zijn belangen waar te nemen, voor zijn rechten op te komen en hem bij dit alles zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen en te begeleiden. Tevens zijn [bedrijf 1] B.V en [bedrijf 16] een overeenkomst aangegaan inzake het verwerken van de boekhoudadministratie over het jaar 2016. Daarnaast verzorgde [bedrijf 16] (in de persoon van [medeverdachte 2] ) de aangiften voor de omzetbelasting van [bedrijf 1] B.V.
Op 13 februari 2017 heeft op het bedrijfsadres van [bedrijf 1] B.V. aan de [adres 3] in [plaats 1] een boekenonderzoek door de Belastingdienst plaatsgevonden. [naam 4] en [medeverdachte 2] waren bij het boekenonderzoek aanwezig. Tijdens het boekenonderzoek vertelde [medeverdachte 2] dat er geen kasboek was en dat hij de hele boekhouding van [bedrijf 1] B.V. over het jaar 2016 opnieuw had ingeboekt. Daarnaast waren er ten opzichte van het derdenonderzoek op 22 en 23 augustus 2016 twee nieuwe werknemers in dienst gekomen, te weten [naam 5] en [naam 6] . Sieraden werden volgens [medeverdachte 2] via het verkoopplatform [bedrijf 17] verkocht. Het sloopzilver werd afgevoerd naar het afvalverwerkings- en recyclingbedrijf [bedrijf 10] B.V. (verder [bedrijf 10] ).
Op 14 februari 2017 stuurde [medeverdachte 2] een e-mailbericht naar de controleambtenaar van de Belastingdienst. In deze e-mail gaf [medeverdachte 2] aan dat [bedrijf 1] B.V. in haar aangiften voor de omzetbelasting over het eerste en het tweede kwartaal 2016 te weinig voorbelasting had aangegeven. Volgens [medeverdachte 2] betrof de voorbelasting over het eerste tot en met het derde kwartaal van 2016 in werkelijkheid € 1.296.588,00 in plaats van het tot dat moment in de aangiften aangegeven bedrag van € 979.379,00. In het e-mailbericht was als bijlage in de vorm van een pdf-bestand een grootboek inkoopboek over 2016 en een grootboek “te vorderen OB 21%” gevoegd (hierna ook: inkoopboek B).
Uit onderzoek bleek dat inkoopboek B op verschillende onderdelen afweek van inkoopboek G&W.
Volgens inkoopboek G&W had [bedrijf 1] B.V. over het eerste en het tweede kwartaal van 2016 geen (sloop)zilver ingekocht van [bedrijf 4] B.V. Uit inkoopboek B bleek daarentegen dat in het eerste en tweede kwartaal van 2016 acht transacties hadden plaatsgevonden voor een totaalbedrag van € 140.287,54 (inclusief € 24.347,43 omzetbelasting). In totaal zijn er 25 facturen aangetroffen die duiden op transacties die hadden plaatsgevonden in 2016 tussen [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 4] B.V. In de aangiften voor de omzetbelasting over 2016 van [bedrijf 4] B.V was geen omzet aangegeven. [medeverdachte 2] was – naast de boekhouder van [bedrijf 1] B.V. – ook de boekhouder van [bedrijf 4] B.V. en werd als contactpersoon opgegeven in de aangiften omzetbelasting van [bedrijf 4] B.V.
Met betrekking tot [bedrijf 6] B.V. bleek uit inkoopboek G&W dat [bedrijf 1] B.V. over het eerste en het tweede kwartaal van 2016 voor een totaalbedrag van € 2.224.323,99 (inclusief € 386.038,99 omzetbelasting) aan (sloop)zilver had gekocht van [bedrijf 6] B.V. Uit inkoopboek B kwam echter naar voren dat tussen [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 6] B.V. in het eerste en het tweede kwartaal van 2016 43 transacties hadden plaatsgevonden voor een totaalbedrag van € 2.900.516,72 (inclusief € 503.395,47 omzetbelasting).
Uit onderzoek van de Belastingdienst bleek dat [bedrijf 6] B.V. geen aangiften omzetbelasting over 2016 had ingediend.
Voorts kwamen in inkoopboek B bedrijven naar voren die al in het eerste halfjaar van 2016 (sloop)zilver zouden hebben verkocht aan [bedrijf 1] B.V. Het betreft de bedrijven [bedrijf 18] B.V., [bedrijf 7] B.V., [bedrijf 8] en [bedrijf 19] B.V. Deze leveranciers waren niet vermeld in inkoopboek G&W.
In maart 2017 heeft de Stuur- en Weegploeg de aanmelding van [bedrijf 1] B.V. voor strafrechtelijk onderzoek geaccepteerd.
4.4.1.1.4 Bedrijfsbezoek [bedrijf 9] B.V.
Blijkens het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel was [bedrijf 1] B.V. per 9 mei 2017 uitgeschreven uit het handelsregister. Op 9 mei 2017 is door de Kamer van Koophandel geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 1 mei 2017.
Uit onderzoek van de Belastingdienst bleek dat [medeverdachte 2] enkele maanden voor de ontbinding van [bedrijf 1] B.V. een nieuwe B.V. had opgericht die in de eerste zes weken een omzet van € 509.829,00 had gegenereerd en – net als [bedrijf 1] B.V. – zich bezighield met de in- en doorverkoop van (sloop)zilver. Naar aanleiding hiervan hebben belastingambtenaren in juni 2017 contact opgenomen met [medeverdachte 2] en aangekondigd een bedrijfsbezoek te willen brengen aan de nieuwe onderneming van [medeverdachte 2] , te weten [bedrijf 9] B.V (verder: [bedrijf 9] B.V.).
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd [bedrijf 9] B.V. op 9 februari 2017 opgericht en was zij gevestigd op het adres [adres 26]. De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “handel, daaronder begrepen de inkoop van, de verkoop van, de distributie van en de handel in edelmetaal, sieraden en apparatuur voor recycling van edelmetaal en de recycling van edelmetaal”. De bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 9] B.V. was [bedrijf 20] B.V. De bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 20] B.V. was [medeverdachte 2] .
Op 31 augustus 2017 hebben ambtenaren van de Belastingdienst een bedrijfsbezoek gebracht aan [bedrijf 9] B.V. op het adres [adres 4] in [plaats 3] . Dit is ook het adres waar het administratiekantoor van [medeverdachte 2] , [bedrijf 16] , is gevestigd. [medeverdachte 2] verklaarde dat hij met zijn onderneming [bedrijf 9] B.V. (sloop)zilver en sieraden inkocht van juweliers. Het zilver werd gewogen bij [bedrijf 10] in [plaats 4] en aan de hand van het gewicht en het zilvergehalte werd afgerekend met de leverancier tegen de geldende koers van het zilver. Daarna ontving [bedrijf 9] B.V. een factuur van [bedrijf 10] voor de inkoop waarbij de afrekening in de meeste gevallen geschiedde in goud. De leveranciers van [bedrijf 9] B.V. werden contant of in goud betaald. [medeverdachte 2] verklaarde dat hij voor de zilverhandel één vaste kracht in dienst had, te weten [medeverdachte 4] , medeverdachte in dit onderzoek. Voorts verklaarde [medeverdachte 2] dat hijzelf de administratie van [bedrijf 9] B.V verzorgde en de aangiften voor de omzetbelasting opstelde en indiende bij de Belastingdienst. Uit de geraadpleegde administratie kwam naar voren dat [bedrijf 9] B.V. zelf de inkoopfacturen opmaakte en het (sloop)zilver inkocht van zeven verschillende bedrijven, te weten [bedrijf 21] B.V., [bedrijf 22] B.V., [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 23] B.V., [bedrijf 24] B.V. en de eenmanszaken [bedrijf 8] en [bedrijf 25] . Na afloop van het bedrijfsonderzoek hebben de controleambtenaren van de Belastingdienst nader onderzoek gedaan naar deze zeven leveranciers. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat de hiervoor beschreven ondernemingen geen aangiften voor de omzetbelasting hadden gedaan of in hun aangiften geen omzet hadden aangegeven in het eerste en het tweede kwartaal van 2017. Daarop is ook [bedrijf 9] B.V. in verband met aangiften omzetbelasting over het eerste en tweede kwartaal 2017 aangemeld voor strafrechtelijk onderzoek.
4.4.1.1.5 Strafrechtelijk onderzoek
Op 22 mei 2018 heeft in het kader van het strafrechtelijk onderzoek een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden op het adres [adres 5] ( [bedrijf 16] B.V.) en [adres 5] ( [bedrijf 9] B.V.) in [plaats 3] . Tijdens de doorzoeking van het bedrijfspand van [bedrijf 9] B.V. werden bedrijfsstempels aangetroffen van in het onderzoek betrokken bedrijven: [bedrijf 26] B.V., [bedrijf 27] B.V., [bedrijf 28] B.V. en [bedrijf 1] B.V. Tijdens de doorzoeking van het vestigingsadres van [bedrijf 16] B.V. is een bedrijfsstempel van het Tsjechische bedrijf [bedrijf 11] aangetroffen. Tijdens de netwerkdoorzoeking van de bij [bedrijf 16] B.V. aanwezige computers werden vanuit het boekhoudpakket “Accountview” auditfiles gemaakt van de aangetroffen administratie (grootboekmutaties) over de boekjaren 2017 en 2018 van [bedrijf 9] B.V. en over de boekjaren 2016 en 2017 van [bedrijf 1] B.V. De auditfiles zijn door medewerkers van de Belastingdienst verwerkt in excel-bestanden. Daarnaast zijn images van de computers gemaakt en diverse bestanden gekopieerd. Op de computers van [bedrijf 16] werden facturen aangetroffen met betrekking tot de inkoop van sloopzilver door [bedrijf 9] B.V. Van deze inkopen heeft [bedrijf 9] B.V. de aankoopfacturen opgemaakt. De klant krijgt van [bedrijf 9] B.V. een (credit)factuur voor de inkoop. Blijkens de aangetroffen aankoopfacturen heeft [bedrijf 9] B.V. in 2017 en 2018 sloopzilver gekocht van de bedrijven [bedrijf 21] B.V., [bedrijf 22] B.V., [bedrijf 23] B.V., [bedrijf 24] B.V., [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 27] B.V., [bedrijf 29] B.V., [bedrijf 30] B.V., [bedrijf 31] B.V en [bedrijf 32] B.V. en de eenmanszaken [bedrijf 8] , [bedrijf 33] , [bedrijf 25] en [bedrijf 21] .
Uit de systemen van de Belastingdienst (“FIBASE”) volgt dat [medeverdachte 4] van 1 februari 2017 tot 31 maart 2017 in loondienst was bij [bedrijf 1] B.V. en vanaf 1 april 2017 werkzaam was bij [bedrijf 9] B.V. Op 22 februari 2018 heeft in de woning van [medeverdachte 4] , gelegen aan de [adres 6] in [plaats 5] , een doorzoeking ter inbeslagname plaatsgevonden. Bij het woonadres stond een personenauto, te weten een Volkswagen Polo met het kenteken [kenteken] . In de Volkswagen Polo werd in een bruine tas van het merk Burberry een blanco factuur aangetroffen van de onderneming [bedrijf 32] B.V. Ook werd in de tas een kopie van het paspoort van [naam 7] , eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf 21] , aangetroffen.
Uit onderzoek van de FIOD is het vermoeden bij de FIOD ontstaan dat [bedrijf 9] B.V. is opgericht om de btw-carrouselfraude van [bedrijf 1] B.V. voort te zetten.
4.4.1.2 Leveranciers [bedrijf 1] B.V. op basis van inkoopboek d.d. 22 augustus 2016 (inkoopboek G&W)
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd [bedrijf 14] B.V. op 18 maart 2013 opgericht en was zij gevestigd aan [adres 7] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “detailhandel in cadeauartikelen, meubels en decoratie” en “handel in tuinbouwproducten, groothandel in schildersmaterialen”. In de periode 19 januari 2015 tot en met 22 juni 2016 was [bedrijf 34] B.V. de bestuurder van [bedrijf 14] B.V. Uit de systemen van de Belastingdienst bleek dat [naam 8] enig aandeelhouder is geweest van [bedrijf 14] B.V. in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 14 december 2016. Op 14 december 2016 is de rechtspersoon ontbonden.
Uit het inkoopboek kwam naar voren dat [bedrijf 1] B.V. in 2015 voor een totaalbedrag van € 76.076,81 (inclusief € 13.203,41 omzetbelasting) aan (sloop)zilver heeft gekocht van [bedrijf 14] B.V. Uit onderzoek van de Belastingdienst bleek dat [bedrijf 14] B.V. voor het laatst op 27 oktober 2014 een aangifte voor de omzetbelasting had ingediend. Deze aangifte had betrekking op het derde kwartaal van 2014. [bedrijf 14] B.V. heeft geen aangiften voor de omzetbelasting over 2015 ingediend bij de Belastingdienst.
[naam 8] is gedurende het onderzoek niet gevonden en heeft geen verklaring afgelegd.
[bedrijf 3] B.V. werd opgericht op 4 november 2005 en was gevestigd op het adres [adres 8] in [plaats 6] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “bemiddeling bij handel, huur of verhuur van onroerend goed”, “het verkrijgen, vervreemden, bezwaren en exploiteren van registeren en andere vermogenswaarden, alsmede het beleggen van vermogen in effecten en obligaties”. Uit de systemen van de Belastingdienst bleek dat de hiervoor reeds genoemde [naam 8] ook enig aandeelhouder is geweest van [bedrijf 3] B.V. in de periode van 11 september 2014 tot en met 10 november 2016. Op 10 november 2016 werd de rechtspersoon ontbonden.
Uit het inkoopboek bleek dat [bedrijf 1] B.V. in 2015 voor een totaalbedrag van € 79.232,01 (inclusief € 13.751,01 omzetbelasting) aan (sloop)zilver heeft gekocht van [bedrijf 3] B.V. In de administratie van [bedrijf 1] B.V. werd één creditfactuur aangetroffen.
Uit onderzoek van de Belastingdienst bleek dat [bedrijf 3] B.V. nooit aangiften voor de omzetbelasting heeft ingediend bij de Belastingdienst.
[naam 8] is, zoals gezegd, gedurende het onderzoek niet gevonden en heeft geen verklaring afgelegd.
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd [bedrijf 4] B.V. op 30 april 2015 opgericht en was zij gevestigd aan de [adres 9] in [plaats 5] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “groothandel in voedings- en genotmiddelen algemeen assortiment”, “groothandel in non-ferrometalen en -halffabricaten” en “handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s”. De bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 4] B.V. was [naam 9] . Op 19 mei 2015 heeft een ambtenaar van de belastingdienst een bedrijfsbezoek aan deze B.V. gebracht en daarop volgend informatie en aanvulling ontvangen van [naam 9] en zijn adviseur [medeverdachte 2] , die namens [bedrijf 16] de administratie voor [bedrijf 35] B.V. deed. [naam 9] verklaarde aan de controleambtenaar dat de bedrijfsactiviteiten bestonden uit in- en verkoop van babyvoedingsmiddelen. De bedrijfsactiviteiten waren op het moment van het bezoek, 19 mei 2015, nog niet gestart. Na het bezoek zijn kopie inkoopfacturen aan de Belastingdienst ter hand gesteld. Uit deze facturen bleek dat [bedrijf 15] B.V. (zie hierna) babyvoeding “Nutrilon 1 tot en met 5” leverde aan [bedrijf 4] B.V. De facturen waren contant betaald.
Uit het inkoopboek van [bedrijf 1] B.V. kwam naar voren dat zij zeven inkoopfacturen van [bedrijf 4] B.V. in haar boekhouding had opgenomen met een eerdere datum dan het bedrijfsbezoek van 19 mei 2015, te weten op 6, 7, 8, 11, 13, 15 en 18 mei 2015 voor een totaalbedrag van € 90.816,72.
Uit de historie van de uitgetreden functionarissen van [bedrijf 4] B.V. bleek dat in de periode van 11 mei 2015 tot 25 november 2015 [naam 1] medebestuurder van [bedrijf 4] B.V. was. [naam 1] was/is de zwager van [verdachte] , en per 27 december 2017 de (middellijk) bestuurder van [bedrijf 1] B.V.
Uit het inkoopboek kwam voorts naar voren dat [bedrijf 1] B.V. in 2015 voor een totaalbedrag van € 819.095,74 (inclusief € 142.157,11,01 omzetbelasting) aan (sloop)zilver had gekocht van [bedrijf 4] B.V. Uit het inkoopboek bleek dat er geen inkopen van [bedrijf 4] B.V. hadden plaatsgevonden over het eerste en tweede kwartaal van 2016. De controleambtenaren van de Belastingdienst hebben 24 facturen gefotografeerd en vijf facturen gekopieerd. Tien van de aangetroffen facturen waren niet verwerkt in het inkoopboek van [bedrijf 1] B.V.
Uit de ambtsedige verklaring omzetbelasting van [bedrijf 4] B.V. van 24 oktober 2018 volgt dat [bedrijf 4] B.V. over 2015 een totale omzet had aangegeven van niet meer dan € 550.714,00 (inclusief € 115.650,00 omzetbelasting).
[naam 9] heeft aan de FIOD verklaard dat hij niet meer beschikt over de administratie van [bedrijf 4] B.V. omdat die in een auto lag die naar de sloop is gebracht.
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd [bedrijf 15] B.V. (handelsnaam: [bedrijf 15] ) op 22 september 2008 opgericht en was zij gevestigd op de [adres 10] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “groothandel in juweliersartikelen en uurwerken” en “in- en verkoop van edelmetalen”. Volgens de inschrijving van de Kamer van Koophandel beheerde [bedrijf 36] sinds 16 december 2014 de aandelen van [bedrijf 15] [naam 10] was bestuurder van [bedrijf 36] .
Uit het inkoopboek kwam naar voren dat [bedrijf 1] B.V. in 2015 voor een totaalbedrag van € 564.835,28 (inclusief € 84.877,89 omzetbelasting) aan (sloop)zilver heeft gekocht van [bedrijf 15] . De controleambtenaren van de Belastingdienst hadden van zeven facturen een kopie gemaakt. Uit onderzoek van de Belastingdienst bleek dat [bedrijf 15] B.V. nooit een aangifte voor de omzetbelasting had ingediend.
[naam 10] verklaarde bij de FIOD dat hij kok was in een restaurant in [plaats 5] . Hij kende [medeverdachte 2] als de boekhouder van het restaurant en medeverdachte [medeverdachte 4] als klant van dat restaurant. [naam 10] verklaarde bij de FIOD voorts dat hij [bedrijf 1] B.V. niet kent en niet weet wie de facturen heeft opgemaakt.
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd [bedrijf 2] B.V. op 16 januari 2015 opgericht en was zij gevestigd aan de [adres 11] in [plaats 7] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “handelsbemiddeling gespecialiseerd in overige goederen”, “het verlenen van koerierdiensten” en “de inkoop en verkoop van goud, zilver, juwelen, sieraden en/of andere goederen”. De bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 2] B.V. was [naam 11] . Op 1 december 2015 werd door de Kamer van Koophandel geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig waren met ingang van 14 augustus 2015.
Uit het inkoopboek bleek dat [bedrijf 1] B.V. in 2015 voor een totaalbedrag van € 568.088,97 (inclusief € 98.593,93 omzetbelasting) aan (sloop)zilver heeft gekocht van [bedrijf 2] B.V. In de administratie van [bedrijf 1] B.V. werden 16 creditfacturen en één verkoopfactuur van [bedrijf 2] B.V. aangetroffen.
Uit onderzoek van de Belastingdienst bleek dat [bedrijf 2] B.V. nooit een aangifte voor de omzetbelasting had ingediend en het op de facturen vermelde btw-nummer op naam stond van de onderneming [bedrijf 37] B.V. welke onderneming bij de fiscus bekend stond als
“veelpleger”.
[naam 11] heeft verklaard dat hij [naam 4] , [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 9] B.V. niet kende en nooit goud of zilver heeft verkocht aan [bedrijf 1] B.V. [naam 11] verklaarde dat hij in feite als stroman had gediend en daarom bij de notaris om ontbinding had gevraagd.
Met betrekking tot [bedrijf 6] B.V. bleek uit het inkoopboek en de aangetroffen facturen dat [bedrijf 1] B.V. in 2015 voor een totaalbedrag van € 398.031,32 (inclusief € 69.013,70 omzetbelasting) aan (sloop)zilver had gekocht van [bedrijf 6] B.V. In het eerste halfjaar van 2016 had [bedrijf 1] B.V. voor een totaalbedrag van € 2.224.323,99 (inclusief € 386.038,99 omzetbelasting) aan (sloop)zilver gekocht van [bedrijf 6] B.V.
Uit onderzoek van de Belastingdienst bleek dat [bedrijf 6] B.V. in haar aangiften voor de omzetbelasting over het vierde kwartaal 2015 een nihilaangifte had ingediend. [bedrijf 6] B.V. heeft geen aangiften voor de omzetbelasting over 2016 ingediend.
[medeverdachte 3] heeft aan de FIOD verklaard dat [bedrijf 6] ertussen geschoven was voor de omzetbelasting (btw). [medeverdachte 3] wist dat het [bedrijf 1] B.V. om de btw te doen was en ontving hiervoor 2% van de btw. “Zij” hadden daarvoor de [bedrijf 6] facturen nodig. [bedrijf 6] B.V. factureerde aan [bedrijf 1] B.V. met btw. Deze btw kon [bedrijf 1] B.V. vervolgens als voorbelasting aftrekken. [medeverdachte 3] kocht het sloopzilver op papier in bij [bedrijf 11] uit [plaats 8] en [bedrijf 38] uit [plaats 9] . Het sloopzilver was voor [bedrijf 1] bedoeld. [medeverdachte 3] werd verteld hoe hij vanuit [bedrijf 6] moest factureren aan [bedrijf 1] B.V. De partijen sloopzilver had [medeverdachte 3] nooit gezien en waren gelijk naar [bedrijf 10] gegaan. [medeverdachte 3] heeft voorts verklaard dat hij geen sloopzilver buiten Nederland heeft opgehaald en niet zou weten waar hij dat vandaan zou moeten halen.
4.4.1.3 Leveranciers [bedrijf 1] BV op basis van inkoopboek d.d. 14 februari 2017 (inkoopboek B)
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd [bedrijf 18] B.V. op 28 december 2000 opgericht en was zij gevestigd op het adres [adres 12] . De bestuurder van [bedrijf 18] B.V. was [naam 12] . [bedrijf 18] B.V. is met ingang van 26 juli 2016 in staat van faillissement verklaard.
Uit inkoopboek B bleek dat [bedrijf 1] B.V in 2016 acht keer (sloop)zilver had gekocht van [bedrijf 18] B.V. voor een totaalbedrag van € 116.458,87 (inclusief € 20.211,87 aan omzetbelasting). In de administratie van [bedrijf 1] B.V. hebben de controleambtenaren drie facturen aangetroffen. [naam 12] heeft bij de FIOD verklaard dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 18] B.V. bestonden uit onder meer groothandel in ijzer- en staalschroot en oude non-ferrometalen en ook dat de bedrijfsactiviteiten stillagen sinds het overlijden van haar man. Voorts verklaarde [naam 12] dat zij de administratie deed van [bedrijf 18] B.V., dat zij de in de administratie van [bedrijf 1] B.V. aangetroffen facturen niet kende en dat de lay-out en factuurnummeringen niet overeenkwam met de gebruikelijke wijze waarop [bedrijf 18] B.V. aan haar klanten factureerde.
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd [bedrijf 7] B.V. op 23 oktober 2013 opgericht en was zij gevestigd op het adres [adres 13] in [plaats 10] . De bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 7] B.V. was [naam 13] . [bedrijf 7] B.V. werd met ingang van 29 maart 2016 in staat van faillissement verklaard.
Uit inkoopboek B bleek dat [bedrijf 1] B.V in 2016 tien keer (sloop)zilver had gekocht van [bedrijf 7] B.V. voor een totaalbedrag van € 154.946,56 (inclusief € 26.891,56 aan omzetbelasting). In de administratie van [bedrijf 1] B.V. hebben de controleambtenaren twee facturen aangetroffen.
Uit onderzoek van de Belastingdienst bleek dat [bedrijf 7] nooit een aangifte voor de omzetbelasting heeft ingediend. De bestuurder [naam 13] kon niet worden getraceerd.
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd de eenmanszaak [bedrijf 8] op 1 mei 2010 opgericht en was zij gevestigd op het adres [adres 14] in [plaats 11] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “winkels in bovenkleding en modeartikelen” en “groothandel in zaden, pootgoed en peulvruchten” en “detailhandel in kleding. Handelsonderneming in onder andere landbouw, tuinbouw en handelsproducten”. De eigenaar van [bedrijf 8] was [naam 14] .
Uit inkoopboek B bleek dat [bedrijf 1] B.V in 2016 voor een totaalbedrag van € 1.578.213,17 (inclusief € 273.904,80 aan omzetbelasting) aan (sloop)zilver had gekocht van [bedrijf 8] . In de administratie van [bedrijf 1] B.V. werden twaalf facturen aangetroffen.
Uit onderzoek van de Belastingdienst bleek dat [naam 14] over het jaar van 2016 een totale omzet (exclusief omzetbelasting) van € 5.448,00 had opgegeven in zijn aangiften voor de omzetbelasting.
[naam 14] verklaarde tegenover een Duitse belastingambtenaar van het Finanzamt für Steuerstrafsachen und Steuerfahndung Düsseldorf dat hij [bedrijf 1] B.V. niet kende en nooit iets aan deze firma heeft verkocht. Voorts verklaarde [naam 14] dat hij met zijn eenmanszaak niet in de zilverbranche zit en de in de administratie van [bedrijf 1] B.V. aangetroffen facturen niet heeft opgesteld.
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd de onderneming [bedrijf 19] B.V. op 12 oktober 1993 opgericht en was zij gevestigd op het adres [adres 15] in [plaats 12] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “het ontwikkelen van, adviseren over, en voeren van interim-management met betrekking tot hardware en software voor technische toepassingen”. De bestuurder van [bedrijf 19] B.V. was [naam 15] , de vader van [medeverdachte 3] (de eerder genoemde bestuurder van [bedrijf 6] B.V.). Op 23 maart 2017 werd door de Kamer van Koophandel geregistreerd dat de rechtspersoon was ontbonden met ingang van 23 maart 2017.
Uit inkoopboek B bleek dat [bedrijf 1] B.V in 2016 voor een totaalbedrag van € 292.215,00 (inclusief € 50.715,00 aan omzetbelasting) aan (sloop)zilver had gekocht van [bedrijf 19] B.V. In de administratie van [bedrijf 1] B.V. werd één factuur aangetroffen. Op deze factuur stond hetzelfde btw-nummer, handelsnummer en telefoonnummer als op de facturen van [bedrijf 6] B.V. Daarnaast leken de facturen van [bedrijf 19] B.V. en [bedrijf 6] B.V. qua lay-out sterk op elkaar. Volgens inkoopboek B hadden er drie transacties plaatsgevonden in het eerste halfjaar van 2016. Deze transacties stonden niet in inkoopboek G&W. Volgens de systemen van de Belastingdienst was [bedrijf 19] B.V. in 2015 reeds afgevoerd als btw-ondernemer, waaruit de rechtbank begrijpt dat zij voordien al minimaal één jaar geen dan wel nihilaangiften voor de omzetbelasting had ingediend.
[medeverdachte 3] heeft bij de FIOD verklaard dat zijn vader er niets mee te maken heeft en dat het zo kan zijn dat hij deze facturen zelf heeft gemaakt en deze per e-mail heeft verstuurd naar [medeverdachte 1] en [verdachte] . De transacties zoals vermeld op de facturen, hadden in werkelijkheid niet plaatsgevonden.
4.4.1.4 Leveranciers [bedrijf 9] B.V.
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel was [bedrijf 21] B.V. op 21 augustus 2015 opgericht en was zij gevestigd op het adres [adres 16] . De bedrijfsactiviteiten bestaan uit “groothandel in juweliersartikelen en uurwerken” en “het importeren, exporteren en het exploiteren van een groothandel in sieraden gemaakt van metalen, edelmetalen, (half)edelstenen en sieraden van dergelijke materialen”. De bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 21] B.V. was [naam 16] .
In de administratie van [bedrijf 9] B.V. werden aankoopfacturen aangetroffen waaruit volgt dat [bedrijf 9] B.V. in 2017 en 2018 sloopzilver zou hebben ingekocht van [bedrijf 21] B.V. Blijkens de facturen werd omzetbelasting in rekening gebracht. [bedrijf 9] B.V. heeft de facturen betaald door terug levering van goud. Op basis van de op de aankoopfacturen vermelde omzetbelasting heeft [bedrijf 9] B.V. over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2017 en het eerste kwartaal van 2018 voor een totaalbedrag van € 122.223,84 aan voorbelasting geclaimd in haar aangiften voor de omzetbelasting. Dit bedrag komt overeen met de in de bedrijfsadministratie aangetroffen grootboekmutaties.
Uit onderzoek van de FIOD bleek dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 21] B.V. in het jaar 2016 waren gestopt.
[naam 16] heeft bij de FIOD verklaard dat hij nog nooit heeft gehoord van [bedrijf 9] B.V. en met deze onderneming nog nooit zaken heeft gedaan.
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd [bedrijf 22] B.V. op 7 april 2005 opgericht en was zij gevestigd op het adres [adres 17] in [plaats 13] . De bestuurder van [bedrijf 22] B.V. was [naam 17] . [bedrijf 22] B.V. is met ingang van 22 augustus 2017 in staat van faillissement verklaard.
In de administratie van [bedrijf 9] B.V. werden aankoopfacturen aangetroffen waaruit volgt dat [bedrijf 9] B.V. in 2017 sloopzilver zou hebben ingekocht van [bedrijf 22] B.V. Blijkens de facturen werd omzetbelasting in rekening gebracht. [bedrijf 9] B.V. heeft de facturen betaald door middel van terug levering van goud. Op basis van de op de aankoopfacturen vermelde omzetbelasting heeft [bedrijf 9] B.V. over het tweede en derde kwartaal van 2017 voor een totaalbedrag van € 115.455,85 aan voorbelasting geclaimd in haar aangiften voor de omzetbelasting. Dit bedrag komt overeen met de in de bedrijfsadministratie aangetroffen grootboekmutaties.
Uit onderzoek van de FIOD bleek dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 22] B.V. bestonden uit “kledingwinkel en -handel” en dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 22] B.V. in 2016 waren gestopt.
[naam 17] heeft bij de FIOD verklaard dat hij nog nooit van de onderneming [bedrijf 9] B.V. heeft gehoord en met deze onderneming nooit zakelijke transacties heeft verricht.
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd [bedrijf 23] B.V. op 29 oktober 2014 opgericht en was zij gevestigd op het adres [adres 18] in [plaats 14] . Bij de bedrijfsactiviteiten is vermeld “houdster- en financieringsmaatschappij”. De bestuurders van [bedrijf 39] B.V. waren [naam 18] en [naam 19] .
In de administratie van [bedrijf 9] B.V. werden aankoopfacturen aangetroffen waaruit volgde dat [bedrijf 9] B.V. in 2017 sloopzilver zou hebben gekocht van [bedrijf 23] B.V. Blijkens de facturen werd omzetbelasting in rekening gebracht. [bedrijf 9] B.V. heeft de facturen betaald door middel van terug levering van goud. Op basis van de op de aankoopfacturen vermelde omzetbelasting heeft [bedrijf 9] B.V. over het eerste en het tweede kwartaal van 2017 voor een totaalbedrag van € 119.761,02 aan voorbelasting geclaimd in haar aangiften voor de omzetbelasting. Dit bedrag komt overeen met de in de bedrijfsadministratie aangetroffen grootboekmutaties.
Uit onderzoek van de FIOD bleek dat de onderneming [bedrijf 23] B.V. weliswaar beschikte over een btw-nummer, maar geen btw-belaste activiteiten verrichte.
[naam 19] heeft bij de FIOD verklaard dat de naam [bedrijf 9] B.V. hem niets zegt en dat er nooit een zakelijke transactie heeft plaatsgevonden tussen [bedrijf 23] B.V. en [bedrijf 9] B.V. [bedrijf 23] beperkt zich tot staal en aluminium en heeft nog nooit gehandeld in zilver of goud.
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd [bedrijf 24] B.V. op 30 januari 2017 opgericht en was zij gevestigd op het adres [adres 19] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “ingenieurs en overig technisch ontwerp en advies. Bouwadvies, toezicht en bouwservice, tevens deelname in andere vennootschappen”. De bestuurder van [bedrijf 24] B.V. was [bedrijf 40] . De enig aandeelhouder was [naam 20] .
In de administratie van [bedrijf 9] B.V. werden aankoopfacturen aangetroffen waaruit volgt dat [bedrijf 9] B.V. in 2018 sloopzilver zou hebben gekocht van [bedrijf 24] B.V. Blijkens de facturen werd omzetbelasting in rekening gebracht. [bedrijf 9] B.V. heeft de facturen betaald door terug levering van goud. Op basis van de op de aankoopfacturen vermelde omzetbelasting heeft [bedrijf 9] B.V. over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2017 een totaalbedrag van € 85.395,65 aan voorbelasting geclaimd in haar aangiften voor de omzetbelasting. Dit bedrag komt overeen met de in de bedrijfsadministratie aangetroffen grootboekmutaties.
Uit onderzoek van de FIOD bleek dat [bedrijf 24] B.V. per augustus 2017 is afgevoerd voor de omzetbelasting vanwege een intern signaal dat mogelijk sprake zou kunnen zijn van fraude.
[naam 20] heeft bij de FIOD verklaard dat hij [bedrijf 9] B.V. niet kent en nog nooit zaken heeft gedaan met deze onderneming.
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd [bedrijf 32] B.V. op 4 september 2009 opgericht en was zij gevestigd op het adres [adres 20] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “gesorteerd materiaal voorbereiden tot recycling, daaronder begrepen de inkoop van, de verkoop van de distributie van en de handle in edelmetaal, sieraden en apparatuur voor recycling van edelmetaal en de recycling van edelmetaal”. De bestuurders van [bedrijf 32] B.V. zijn [naam 21] en [naam 22] .
In de administratie van [bedrijf 9] B.V. werden facturen aangetroffen waaruit volgt dat [bedrijf 9] B.V. in 2018 sloopzilver zou hebben gekocht van [bedrijf 32] B.V. Blijkens de facturen werd omzetbelasting in rekening gebracht. [bedrijf 9] B.V. heeft de facturen betaald door terug levering van goud. Op basis van de op de aankoopfactuur vermelde omzetbelasting heeft [bedrijf 9] B.V. over het eerste kwartaal van 2018 een bedrag van € 13.063,03 aan voorbelasting geclaimd in haar aangiften voor de omzetbelasting. Dit bedrag komt overeen met de in de bedrijfsadministratie aangetroffen grootboekmutaties.
Bij de doorzoeking op 22 mei 2018 bij [bedrijf 16] , waarvan medeverdachte [medeverdachte 2] bestuurder is, werd een blanco factuur van [bedrijf 32] B.V. aangetroffen.
[naam 21] heeft bij de FIOD verklaard dat hij [bedrijf 9] B.V. niet kent en noch met [bedrijf 32] B.V. noch met [bedrijf 27] B.V. heeft gehandeld in zilver en goud met [bedrijf 9] B.V.
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd [bedrijf 27] B.V. op 21 juni 2017 opgericht en was zij gevestigd op het adres [adres 20] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “groothandel in non-ferrometalen en -halffabrikaten. Het uitoefenen van een handelsonderneming die zich bezig houdt met de inkoop en verkoop, de distributie van en handel in edelmetaal en sieraden”. De bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 27] B.V. was het eerdergenoemde [bedrijf 32] B.V. Als gevolmachtigde van [bedrijf 27] B.V. was [naam 23] geregistreerd. [naam 23] is de neef van de eerdergenoemde [naam 21] .
In de administratie van [bedrijf 9] B.V. zijn facturen aangetroffen waaruit volgt dat [bedrijf 9] B.V. in 2017 en 2018 sloopzilver zou hebben gekocht van [bedrijf 27] B.V. Blijkens de facturen is omzetbelasting in rekening gebracht. [bedrijf 9] B.V. heeft de facturen betaald door terug levering van goud. Op basis van de op de aankoopfacturen vermelde omzetbelasting heeft [bedrijf 9] B.V. over het derde en vierde kwartaal van 2017 en het eerste kwartaal van 2018 een totaalbedrag van € 47.191,02 aan voorbelasting geclaimd in haar aangiften voor de omzetbelasting. Dit bedrag komt overeen met de in de bedrijfsadministratie aangetroffen grootboekmutaties.
Bij de doorzoeking op 22 mei 2018 bij [bedrijf 16] , waarvan medeverdachte [medeverdachte 2] bestuurder is, werd in de printer briefpapier van [bedrijf 27] B.V. aangetroffen. Daarnaast werden onder andere een inktstempel van [bedrijf 27] B.V., een kopie van een identiteitskaart van [naam 21] en de inloggegevens van de ING-bankrekening van [bedrijf 27] B.V. aangetroffen.
Uit onderzoek van de FIOD bleek dat op naam van [bedrijf 27] B.V. negatieve aangiften omzetbelasting waren ingediend. Vanwege het feit dat deze onderneming tijdens het strafrechtelijk onderzoek gemonitord werd, is er een blokkade gelegd op teruggaven omzetbelasting.
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd [bedrijf 31] B.V. op 22 juli 2016 opgericht en was zij gevestigd op het adres [adres 21] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “overige specialistische zakelijke dienstverlening” en “winkels in tweedehands goederen (geen kleding). Het taxeren, inkopen, reinigen, herstellen, bewerken, opslaan, bewaren, in onderpand nemen en verkopen van sieraden, juwelen, uurwerken, edelmetalen, edelstenen, parels, serviesgoed, antiek en kunstvoorwerpen en andere waardevolle roerende zaken, alsmede het adviseren en bemiddelen daarbij, zowel voor zich als voor derden.” De bestuurder van [bedrijf 31] B.V. was [bedrijf 13] B.V. Verdachte [verdachte] was tot 27 december 2017 de enig bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 13] B.V. Vanaf deze datum was [naam 1] dat.
Op 31 mei 2018 werd door de Kamer van Koophandel geregistreerd dat [bedrijf 31] B.V. is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 15 april 2018.
In de administratie van [bedrijf 9] B.V. werden facturen aangetroffen waaruit volgt dat [bedrijf 9] B.V. in 2017 en 2018 sloopzilver zou hebben gekocht van [bedrijf 31] B.V. Blijkens de facturen werd omzetbelasting in rekening gebracht. [bedrijf 9] B.V. heeft de facturen betaald door terug levering van goud. Op basis van de op de aankoopfacturen vermelde omzetbelasting heeft [bedrijf 9] B.V. over het vierde kwartaal van 2017 en het eerste kwartaal van 2018 een totaalbedrag van € 11.403,11 aan voorbelasting geclaimd in haar aangiften voor de omzetbelasting. Dit bedrag komt overeen met de in de bedrijfsadministratie aangetroffen grootboekmutaties.
[naam 1] is de zwager van [verdachte] en heeft zich bij de FIOD beroepen op zijn zwijgrecht.
Uit onderzoek van de FIOD bleek dat de aangiften over het vierde kwartaal van 2017 op naam van drie van de hiervoor genoemde bedrijven, te weten [bedrijf 27] B.V. alsmede [bedrijf 32] B.V. en [bedrijf 31] B.V. alle op 12 januari 2018 omstreeks hetzelfde tijdstip zijn ingediend vanuit hetzelfde internetcafé in Rotterdam. Deze drie aangiften betreffen zogenaamde “negatieve aangiften”.
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd [bedrijf 30] B.V. op 14 juni 2011 opgericht en was zij gevestigd op het adres [adres 22] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “groothandel in juweliersartikelen en uurwerken. Het uitoefenen van een onderneming op het gebied van de (groot)handel in goud en zilver, overige edelmetalen en sieraden”. De bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 30] B.V. was [naam 24] .
In de administratie van [bedrijf 9] B.V. werden facturen aangetroffen waaruit volgt dat [bedrijf 9] B.V. in 2017 en 2018 sloopzilver zou hebben ingekocht van [bedrijf 30] B.V. Blijkens de facturen werd omzetbelasting in rekening gebracht. [bedrijf 9] B.V. heeft de facturen betaald door terug levering van goud. Op basis van de op de aankoopfacturen vermelde omzetbelasting heeft [bedrijf 9] B.V. over het vierde kwartaal van 2017 en het eerste kwartaal van 2018 een totaalbedrag van € 58.742,44 aan voorbelasting geclaimd in haar aangiften voor de omzetbelasting. Dit bedrag komt overeen met de in de bedrijfsadministratie aangetroffen grootboekmutaties.
Bij de doorzoeking op 22 mei 2018 in het kantoorpand van [bedrijf 9] B.V. en [bedrijf 16] werd op een computer een digitale map “ [bedrijf 30] ” aangetroffen.
[naam 24] heeft bij de FIOD verklaard dat hij [bedrijf 9] B.V. niet kent en er geen zakelijke transacties tussen [bedrijf 9] B.V. en [bedrijf 30] B.V. hebben plaatsgevonden.
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd [bedrijf 29] B.V. op 13 maart 2017 opgericht en was zij gevestigd op het adres [adres 3] in [plaats 1] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “groothandel in juweliersartikelen en uurwerken”, “detailhandel via internet in kleding en modeartikelen”, “bewerken van edelstenen en vervaardiging van sieraden e.d. (geen imitatie)” en “het uitoefenen van een handelsonderneming, waaronder begrepen de inkoop van, de verkoop van, de distributie van en de handel in edelmetaal, sieraden en apparatuur voor recycling van edelmetaal alsmede de recycling van edelmetaal, alles in de meest ruime zin des woords”. De bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 29] B.V. was [naam 5] .
In de administratie van [bedrijf 9] B.V. werden facturen aangetroffen waaruit volgt dat [bedrijf 9] B.V. in 2017 en 2018 sloopzilver zou hebben ingekocht van [bedrijf 29] B.V. Blijkens de facturen werd omzetbelasting in rekening gebracht. [bedrijf 9] B.V. heeft de facturen betaald door terug levering van goud. Op basis van de op de aankoopfacturen vermelde omzetbelasting heeft [bedrijf 9] B.V. over het vierde kwartaal van 2017 € 1.518,51 aan voorbelasting heeft geclaimd in haar aangiften voor de omzetbelasting. Dit bedrag komt overeen met de in de bedrijfsadministratie aangetroffen grootboekmutaties.
Uit onderzoek van de Belastingdienst bleek dat de aangifte over het vierde kwartaal van 2017 digitaal is ingezonden vanaf het IP-adres dat op naam stond van de onderneming [bedrijf 16] .
[naam 5] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] haar hebben gevraagd om de onderneming [bedrijf 29] B.V. op haar naam te zetten. [medeverdachte 2] was in het bezit van een volmacht met betrekking tot [bedrijf 29] B.V. en verzorgde de boekhouding. [naam 5] heeft verklaard dat zij de aankoopfacturen van [bedrijf 9] B.V. gericht aan [bedrijf 29] B.V. niet kent.
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd de eenmanszaak [bedrijf 25] met ingang van 9 mei 2017 gevoerd en was zij gevestigd op het adres [adres 23] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “winkels in juweliersartikelen en uurwerken”. De eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf 25] was [naam 25] .
In de administratie van [bedrijf 9] B.V. werden facturen aangetroffen waaruit volgt dat [bedrijf 9] B.V. in 2017 sloopzilver zou hebben gekocht van [bedrijf 25] . Blijkens de facturen werd omzetbelasting in rekening gebracht. [bedrijf 9] B.V. heeft de facturen betaald door terug levering van goud. Op basis van de op de aankoopfacturen vermelde omzetbelasting heeft [bedrijf 9] B.V. over het eerste en het tweede kwartaal van 2017 een totaalbedrag van € 9.034,63 aan voorbelasting geclaimd in haar aangiften voor de omzetbelasting. Dit bedrag komt overeen met de in de bedrijfsadministratie aangetroffen grootboekmutaties.
Uit onderzoek van de Belastingdienst bleek dat de aankoopfacturen betrekking hadden op transacties die zouden hebben plaatsgevonden in het eerste en het tweede kwartaal van 2017, terwijl [bedrijf 25] pas op 9 mei 2017 was gestart en deze eenmanszaak volgens de systemen van de Belastingdienst geen aangiften voor de omzetbelasting over het eerste en het tweede kwartaal van 2017 heeft gedaan.
[naam 25] heeft bij de FIOD verklaard dat hij [bedrijf 9] B.V. en de aangetroffen aankoopfacturen. niet kent en deze geadresseerd zijn aan zijn vader.
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd de eenmanszaak [bedrijf 33] met ingang van 1 juli 2018 gevoerd en was zij gevestigd op het adres [adres 24] in [plaats 15] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “groothandel in juweliersartikelen en uurwerken” en “handelsbemiddeling gespecialiseerd in overige goederen. Het in- en verkopen van edelmetalen, sieraden en tevens de recycling van deze producten. Handelsonderneming van non-food goederen”. De eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf 33] was [naam 22] . Op 6 september 2017 werd door de Kamer van Koophandel geregistreerd dat de onderneming is opgeheven met ingang van 28 augustus 2017. [naam 22] was ook (mede)bestuurder van [bedrijf 32] B.V.
In de administratie van [bedrijf 9] B.V. is een factuur aangetroffen waaruit volgt dat [bedrijf 9] B.V. in 2017 sloopzilver zou hebben ingekocht van [bedrijf 33] . Blijkens de factuur werd omzetbelasting in rekening gebracht. [bedrijf 9] B.V. heeft de factuur betaald door middel van terug levering van goud. Op basis van de op de factuur vermelde omzetbelasting heeft [bedrijf 9] B.V. over het derde kwartaal van 2017 een totaalbedrag van € 8.494,52 aan voorbelasting geclaimd in haar aangifte voor de omzetbelasting. Dit bedrag komt overeen met de in de bedrijfsadministratie aangetroffen grootboekmutaties.
[naam 22] is gedurende het onderzoek niet getraceerd en heeft geen verklaring afgelegd.
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd de eenmanszaak [bedrijf 21] vanaf 25 september 2017 gevoerd en was zij gevestigd op het adres [adres 25] in [plaats 15] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “algemene burgerlijke- en utiliteitsbouw” en “klussenbedrijf, tegels zetten, stucwerk verrichten, zolder verbouwen, schilderswerk, etc”. De eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf 21] was volgens het uittreksel uit het Handelsregister [naam 7] .
In de administratie van [bedrijf 9] B.V. werden aankoopfacturen aangetroffen waaruit volgt dat [bedrijf 9] B.V. in 2017 en 2018 sloopzilver zou hebben gekocht van [bedrijf 21] . Blijkens de facturen werd omzetbelasting in rekening gebracht. [bedrijf 9] B.V. heeft de facturen betaald door terug levering van goud. Op basis van de op de aankoopfacturen vermelde omzetbelasting heeft [bedrijf 9] B.V. over het vierde kwartaal van 2017 en het eerste kwartaal van 2018 een totaalbedrag van € 14.917,26 aan voorbelasting geclaimd in haar aangiften voor de omzetbelasting. Dit bedrag komt overeen met de in de bedrijfsadministratie aangetroffen grootboekmutaties.
Uit onderzoek van de Belastingdienst bleek dat de aangifte over het vierde kwartaal van 2017 was ingezonden op 31 januari 2018 vanaf een IP-adres dat was gekoppeld aan een internetcafé in Rotterdam. Vanaf deze locatie waren enkele weken daarvoor op 12 januari 2018 ook de drie negatieve aangiften omzetbelasting over hetzelfde kwartaal ingediend ten name van [bedrijf 27] , [bedrijf 32] B.V. en [bedrijf 31] B.V. De aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2017 betrof eveneens een negatieve aangifte omzetbelasting.
Een kopie van het paspoort van [naam 7] werd bij een doorzoeking op 22 februari 2018 aangetroffen in een tas in de auto van [medeverdachte 4] (zie 4.4.1.1.5 hiervoor).
[naam 7] heeft verklaard dat hij de eenmanszaak [bedrijf 21] en [bedrijf 9] B.V. niet kent en nooit zakelijke transacties met [bedrijf 9] B.V. heeft verricht.
Met betrekking tot de al eerder in het kader van de leveranciers van [bedrijf 1] B.V. genoemde eenmanszaak [bedrijf 8] werden in de administratie [bedrijf 9] B.V. aankoopfacturen van sloopzilver aangetroffen. Uit de facturen volgt dat [bedrijf 9] B.V. in 2017 en 2018 sloopzilver zou hebben gekocht. Blijkens de facturen werd omzetbelasting in rekening gebracht. [bedrijf 9] B.V. heeft de facturen betaald door terug levering van goud. Op basis van de op de aankoopfacturen vermelde omzetbelasting heeft [bedrijf 9] B.V. over alle kwartalen van 2017 en het eerste kwartaal van 2018 een totaalbedrag van € 163.428,04 aan voorbelasting geclaimd in haar aangiften voor de omzetbelasting.
Bij de doorzoeking op 22 mei 2018 van het kantoorpand van [bedrijf 9] B.V. en [bedrijf 16] , beide gevestigd op het adres [adres 4] in [plaats 3] , zijn een stempel en blanco facturen van [bedrijf 8] aangetroffen.
[naam 14] verklaarde tegenover een Duitse belastingambtenaar van het Finanzamt für Steuerstrafsachen und Steuerfahndung Düsseldorf dat hij [bedrijf 9] B.V. niet kent en nooit met deze firma heeft gehandeld. Voorts heeft [naam 14] verklaard dat het raar is dat er aankoopfacturen uit het jaar 2017 en 2018 zijn aangetroffen omdat hij sinds 2016 in detentie zit.
Met betrekking tot [bedrijf 1] B.V. werden in de administratie [bedrijf 9] B.V. aankoopfacturen van sloopzilver aangetroffen. Uit de facturen volgt dat [bedrijf 9] B.V. in 2017 en 2018 sloopzilver zou hebben gekocht. Blijkens de facturen werd omzetbelasting in rekening gebracht. [bedrijf 9] B.V. heeft de facturen betaald door terug levering van goud. Op basis van de op de aankoopfacturen vermelde omzetbelasting heeft [bedrijf 9] B.V. over het eerste en het tweede kwartaal van 2017 een totaalbedrag van € 103.654,13 aan voorbelasting geclaimd in haar aangiften voor de omzetbelasting. Dit bedrag komt overeen met de in de bedrijfsadministratie aangetroffen grootboekmutaties. [bedrijf 1] B.V. is, zoals gezegd, op 9 mei 2017 uitgeschreven uit het Handelsregister omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn.
4.4.1.5 Goederenstroom
4.4.1.5.1 Verkoop zilver
Zowel [bedrijf 1] B.V. als [bedrijf 9] B.V. handelde in (sloop)zilver. De voornaamste afnemer van beiden was [bedrijf 10] B.V. (hierna ook: [bedrijf 10] ), ten aanzien van [bedrijf 9] B.V. totdat [bedrijf 10] liet weten per 1 oktober 2017 geen BTW meer te vergoeden omdat zij zorgen had over de afdracht van btw door de betrokken partijen. Vanaf november 2017 heeft [bedrijf 9] B.V. sloopzilver geleverd aan [bedrijf 41] B.V. (hierna ook: [bedrijf 41] ).
Uit de verkoopadministratie van [bedrijf 1] B.V. volgt dat er ook sieraden te koop werden aangeboden op de website van [bedrijf 17] B.V. Deze goederenstroom vertegenwoordigde een relatief klein deel van de verkoop. \
In het dossier is een door getuige [getuige 1] aangeleverd document opgenomen waarin de zilverleveringen aan [bedrijf 10] zijn opgesomd. Ten onrechte is aan het document de benaming “Zilverleveringen van [bedrijf 9] aan [bedrijf 10] ” gegeven, omdat conform het verzoek van de FIOD ook een overzicht is verstrekt van de transacties met [bedrijf 1] B.V. Uit die overzichten is het volgende af te leiden.
In de periode van 1 januari 2015 tot 16 september 2016 heeft [bedrijf 1] B.V. een hoeveelheid van 18.979 kg sloopzilver geleverd aan [bedrijf 10] .
In de periode van 16 september 2016 tot en met 22 maart 2017 heeft [bedrijf 1] B.V. een hoeveelheid van 13.013 kg sloopzilver geleverd aan [bedrijf 10] .
In de periode van 9 februari 2017 tot en met 12 april 2018 is door [bedrijf 9] B.V. in totaal 11.889,4 kg sloopzilver ingeleverd bij recyclingbedrijven, waarvan 9.176,8 kg bij [bedrijf 10] en 2.712,6 kg bij [bedrijf 41] . De FIOD heeft berekend, zij het conservatief, dat deze 11.889,4 kg zilver een waarde vertegenwoordigde van € 5.112.270,00.
4.4.1.5.2 Inkoop zilver
Door de FIOD is geen rondrekening gemaakt van alle goederen die bij [bedrijf 10] B.V. en [bedrijf 41] B.V. zijn afgeleverd.
Volgens opgave van de Douane is door [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 9] B.V. (ook) zilver ingevoerd uit Turkije.
- [bedrijf 1] B.V. heeft in de periode van 28 juli 2016 tot 16 september 2016 een hoeveelheid van 1.476 kg met een factuurbedrag van in totaal € 765.058,19 ingevoerd uit Turkije.
- [bedrijf 1] B.V. heeft van 16 september 2016 tot en met 15 februari 2017 een hoeveelheid van 5.528 kg met een factuurbedrag van in totaal € 2.584.367,14 ingevoerd uit Turkije.
- [bedrijf 9] B.V. heeft vanaf 9 februari 2017 voor een hoeveelheid van 587 kg met een factuurbedrag van in totaal € 238.735,39 ingevoerd uit Turkije.
De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl