Rb. Overijssel 15 december 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:7509
JW, mondelinge usp, De voorlopige voorziening houdt in dat het college met onmiddellijke ingang, dat wil zeggen zodra er plek voor hem op XX (regulier basisonderwijs) is, een voorziening op het gebied van jeugdhulp treft voor de jeugdige voor ondersteuning individueel voor 15 uur per week. Mocht meer nodig zijn dan is er een nieuwe beslissing nodig. Wat betreft de totale hulp die nodig is heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen goed onderzoek verricht. aar het oordeel van de voorzieningenrechter het uitgangspunt bij artikel 1.2 Jeugdwet dat, als discussie bestaat over de vraag of een voorziening onder de Jeugdwet valt of onder een andere wet, dit niet in de weg mag staan aan de hulp voor het kind inzetten die nodig is. Het belang van het kind brengt met zich mee dat het zo snel mogelijk geholpen wordt. Het kind mag niet de dupe worden van strijd tussen instellingen over de vraag wie wat moet betalen. In het besluit op bezwaar is het aan het college om gedetailleerd duidelijk te maken welke hulp voor de jeugdige in zijn totaliteit nodig is en in welke omvang (in minuten) dat is. Vervolgens zal het college per soort hulp moeten aantonen of dit valt onder de Jeugdwet of een andere wet, bijvoorbeeld de Wet passend onderwijs. Daartoe zal overleg met de scholen noodzakelijk zijn en de scholen zijn verplicht op grond van artikel 2.7 Jeugdwet de informatie aan het college te verschaffen die het college daarvoor redelijkerwijs nodig heeft.
De uitspraak op rechtspraak.nl