Rb. Overijssel 15 januari 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5502
Tussenvonnis van ECLI:NL:RBOVE:2025:5510. Partij A, een Duitse voerleverancier en partij B, een Nederlandse varkenshouder, hebben een overeenkomst voor de levering van varkensvoer gesloten en twisten over het bestaan van een tweede overeenkomst. Het Weens Koopverdrag is van toepassing op de rechtsverhouding tussen partijen. De leverancier wenst betaling van een nog openstaand bedrag voor reeds geleverd voer en ontbinding van de desbetreffende overeenkomst. Daarnaast vordert de leverancier ontbinding van een overeenkomst die hij stelt met de varkenshouder gesloten te hebben, maar waarvan het bestaan door die laatste betwist wordt. Partij A wenst bovendien haar schade vergoed te zien. Partij B stelt de door hem erkende overeenkomst ontbonden te hebben, omdat het door partij A geleverde voer stramheid bij de varkens veroorzaakte en dus niet aan de overeenkomst beantwoordde. Hij wenst een schadevergoeding van partij A. De rechtbank oordeelt dat tekortschieten aan de zijde van partij A niet vast komt te staan, dat de eerste overeenkomst voor ontbinding vatbaar is en dat partij A recht heeft op betaling van het openstaande bedrag en van schadevergoeding. Partij B heeft geen recht op schadevergoeding. De rechtbank geeft partij A een bewijsopdracht in verband met de door haar gestelde, tweede, overeenkomst. Indien die tweede overeenkomst vast komt te staan is ook die voor ontbinding vatbaar. Partij A heeft dan ook in verband daarmee recht op schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat artikel 76 van het Weens Koopverdrag niet en artikel 74 van dat verdrag wel als grondslag voor de aan partij A te betalen schadevergoeding kan dienen.
De uitspraak op rechtspraak.nl