Rb. Overijssel 27 augustus 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5313
Partij A 1 heeft partij B 1 ingeschakeld, omdat zij goederen van Deventer naar Polen wilde laten vervoeren. Partij B 1 heeft vervolgens een derde partij de opdracht gegeven om de goederen te vervoeren. Vervolgens is de vracht verdwenen. Partij A vordert van partij B schadevergoeding voor het verdwijnen van de vracht. In incident vordert partij B 1 onder meer dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. De rechtbank wijst deze vordering toe. De rechtbank is van oordeel dat het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (hierna: CMR-verdrag) niet van toepassing is op de overeenkomst tussen partij A 1 en partij B 1 en de rechtbank haar bevoegdheid dus niet aan dit verdrag kan ontlenen. Op grond van artikel 4 EEX-verordening is de rechtbank in Polen bevoegd over dit geschil te oordelen. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd en veroordeelt partij A in de proceskosten.
De uitspraak op rechtspraak.nl