Rb. Overijssel 11 juni 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3767
Partij A hebben een woning van partij B gekocht voor een koopprijs van € 1.875.000,00. Ten behoeve van partij B hebben partij A nadien een tweede hypotheekrecht op hun woning gevestigd als zekerheid voor voldoening van de contractuele boete indien de koop door toedoen van partij A geen doorgang zou vinden. Partij A hebben de koopprijs niet betaald en levering van de woning heeft niet plaatsgevonden. Partij B willen dat partij A na de buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst de contractuele boete betalen, maar partij A doen dat niet. Partij B hebben daarom een aanvang gemaakt met de uitoefening van hun recht van parate executie. Partij A vorderen in deze procedure kort gezegd dat het partij B wordt verboden om de door hen gestarte executieverkoop van de woning van partij A voort te zetten totdat er een oordeel is in de bodemprocedure over de verschuldigdheid van de boete. Partij A stellen zich op het standpunt dat zij de koopovereenkomst hebben ontbonden door een beroep te doen op het in de koopovereenkomst opgenomen financieringsvoorbehoud. Partij B vorderen in reconventie dat partij A wordt veroordeeld tot betaling van de contractuele boete. De rechtbank oordeelt in de met dit kort geding samenhangende bodemzaak dat partij A de koopovereenkomst niet rechtsgeldig hebben ontbonden door inroeping van het financieringsvoorbehoud en dat zij een boete aan partij B dienen te betalen. partij B kunnen hun recht op parate executie uitoefenen. De rechtbank wijst de vordering in conventie af en de vordering in reconventie toe.
De uitspraak op rechtspraak.nl