Rb. Overijssel 6 november 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:5774
Partijen hebben een koopovereenkomst in de zin van het Weens Koopverdrag gesloten. Partij A vordert betaling van door partij B onbetaald gelaten facturen ter zake de productie en levering van klompschoenen. Partij B stelt een eigen vordering op partij A te hebben onder meer omdat partij A in haar ogen klompen met kwalitatieve gebreken heeft geleverd. Partij B wenst de vorderingen te verrekenen. De rechtbank is van oordeel dat partij B de door haar gestelde gebreken onvoldoende onderbouwd heeft, bovendien het geleverde schoeisel te laat gekeurd heeft en in samenhang daarmee geen redelijke termijn jegens partij A in acht genomen heeft om te klagen over de door haar, partij B, gestelde gebreken. De rechtbank wijst de vordering van partij A tot betaling van de openstaande facturen toe en de vordering van partij B af. Dat te veel is gefactureerd, zoals door partij B is gesteld, is niet gebleken.
De uitspraak op rechtspraak.nl