Rb. Overijssel 29 oktober 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:5641

In de hoofdzaak vordert Qredits nakoming van de kredietovereenkomst die zij met partij A heeft gesloten en nakoming van de borgtochtovereenkomst die zij met partij B heeft gesloten. Partij A heeft de vordering van Qredits niet weersproken. Partij B heeft wel verweer gevoerd. Zij stelt dat Qredits de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden jegens partij B en dat partij B de borgtochtovereenkomst mag opzeggen. De kantonrechter is van oordeel dat het verweer van partij B niet slaagt, omdat zij geen (juist) rechtsgevolg heeft verbonden aan haar verweer. Partij A en partij B moeten voldoen aan hun betalingsverplichting, maar de kantonrechter oordeelt dat partij A de contractuele rente verschuldigd is vanaf 3 oktober 2023 en dat partij B de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2023 is verschuldigd en dat zij de buitengerechtelijke incassokosten niet hoeft te betalen. In de vrijwaringszaak vordert partij B dat partij A aan haar het bedrag betaalt waartoe zij mocht worden veroordeeld in de hoofdzaak. Zij stelt dat zij met partij A heeft afgesproken dat hij alle kosten zal voldoen die voortvloeien uit de krediet- en borgtochtovereenkomst. Tegen partij A is verstek verleend. De kantonrechter gaat uit van de juistheid van deze stellingen omdat partij A die niet heeft betwist, en wijst de vordering van partij B toe.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen