Rb. Overijssel 29 mei 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:2818

Partij B.1 en partij B.2 waren in dienst van de handelsfirma HGT. Door middel van hun persoonlijke vennootschappen hebben zij Dexour opgericht. Met bij HGT opgedane kennis hebben zij omzet van HGT omgeleid naar Dexour en daarbij HGT en Ring Beheer buiten spel gezet. Daarmee handelden zij in strijd met hun arbeidsovereenkomsten, en handelden zij en hun persoonlijke vennootschappen eveneens onrechtmatig ten opzichte van HGT. Ook heeft de persoonlijke vennootschap van partij B.1, GKT Holding, als bestuurder in strijd met de statuten van Ribo M&B gehandeld. HGT c.s. hebben inzage en afgifte gevorderd van bankafschriften en de administratie van Dexour. De bankafschriften bevinden zich bij de processtukken, zodat HGT c.s. bij dit deel van de vordering geen belang meer hebben. De vordering tot inzage en afgifte van de administratie van Dexour wordt afgewezen, omdat deze niet voldoende concreet is. Voldoende staat vast dat als gevolg van het toerekenbaar tekort schieten in de arbeidsovereenkomst en het onrechtmatig handelen schade is veroorzaakt. De omvang daarvan laat zich echter (nog) niet begroten, ook niet bij benadering. Verwijzing naar de schadestaatprocedure is aangewezen. Partij B.1 en partij B.2 zijn op staande voet ontslagen en hebben berust in dat ontslag. Op grond van artikel 7:677, lid 2 en lid 3 aanhef en onder a BW moeten zij nog een bedrag betalen aan HGT. Daarnaast moet de persoonlijke vennootschap van partij B.2, Asnamo Holding, nog een schuld uit een lening met HGT terugbetalen. De vordering van HGT op Asnamo Holding uit een rekening courant-verhouding wordt afgewezen, omdat dit feitelijk geen schuld betrof maar een in de boeken van HGT nog niet aangepaste weergave van aan die vennootschap betaalde management fees. De tegenvorderingen van partij B c.s. worden grotendeels afgewezen. Wel moet HGT nog de jaaropgaven 2022 aan partij B c.s. verstrekken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken