Rb. Overijssel 1 mei 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:2360
Eiseres volgt onderwijs aan een onderwijsinstelling in het buitenland voor het IB/VWO-diploma. De minister heeft eiseres een tegemoetkoming voor scholieren op grond van artikel 2.9 van de Wtos geweigerd. De school, waaraan eiseres onderwijs volgt, is geen onderwijsinstelling waarvoor recht bestaat op een tegemoetkoming voor scholieren op grond van artikel 2.9 van de Wtos, aangezien deze niet valt onder één van de in dit artikel bedoelde categorieën. De rechtbank volgt de stelling van eiseres dat het besluit in strijd is met de intentie van de wetgever niet, aangezien de tekst van 2.9 van de Wtos duidelijk is. De bevoegdheid om een tegemoetkoming te verstrekken op grond van artikel 2.9 van de Wtos betreft een gebonden bevoegdheid. Voor een evenredigheidstoets als bedoeld in artikel 3:4, van de Awb is bij een gebonden bevoegdheid geen ruimte. De minister had wel nader moeten bezien of aanleiding bestaat toepassing te geven aan de hardheidsclausule in artikel 11.14, eerste lid, van de Wtos. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
De uitspraak op rechtspraak.nl