Rb. Overijssel 2 april 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:1733
Deze kortgedingprocedure borduurt voort op een uitspraak van de rechtbank Overijssel in de bodemprocedure tussen partijen. In dat vonnis heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat gedaagde in diverse periodes verplicht is geweest tot naleving van de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen, zowel voor haar eigen werknemers als die van gedaagde Polen. Daarnaast is gedaagde veroordeeld om bepaalde financiële stukken te verstrekken aan FNV van alle werknemers die bij haar in dienst zijn geweest, inclusief de chauffeurs die in loondienst zijn van gedaagde Polen maar door gedaagde te werk zijn gesteld. De kantonrechter heeft bepaald dat gedaagde een dwangsom van € 1.000,00 per dag moet betalen, met een maximum van € 50.000,00 als zij daar niet aan voldoet. De huidige stand van zaken is dat het maximumbedrag aan dwangsommen is bereikt. Volgens FNV vormt de opgelegde dwangsom van de kantonrechter onvoldoende prikkel tot naleving. Reden waarom FNV in deze kortgedingprocedure vordert deze te verhogen naar € 10.000,00 per dag, met een maximum van € 500.000,00. De voorzieningenrechter, die oordeelt als dwangsomrechter, zal de bij vonnis van 31 oktober 2023 opgelegde dwangsom verhogen naar € 2.500,00 per dag, met een maximum van € 200.000,00.
De uitspraak op rechtspraak.nl