Rb. Overijssel 3 februari 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:357
Vervangende toestemming erkenning vrouwelijke levensgezel artikel 1:204 lid 4 BW. De vrouw heeft als levensgezel van de moeder ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad. De wet moet zo worden gelezen dat de vereiste instemming afkomstig moet zijn van de levensgezel. Het gaat er hier om dat de levensgezel ermee heeft ingestemd dat de moeder op 25 juli 2019 de punctie en vlak daarna de terugplaatsing van de eitjes heeft laten doen, niet of de moeder heeft ingestemd met het gezamenlijk ouderschap. De rechtbank acht de erkenning in het belang van het kind. Het is in het belang van het kind dat zij voor haar identiteitsontwikkeling weet uit welke relatie zij is geboren en hoe de familieverhoudingen waren. Het sluit aan bij haar afstamming en geeft blijk van haar ontstaansgeschiedenis. Het juridisch ouderschap kan worden vastgesteld los van de ex-partnerproblemen tussen partijen. Er is sprake van een nauwe persoonlijke betrekking tussen het kind en de vrouw als bedoeld in artikel 8 EVRM. De vrouw heeft een ouderrol vervult voor het kind en er is een hechtingsrelatie tussen hen ontstaan. Vaststelling omgangsregeling tussen de vrouw en het kind ondanks de ex-partnerproblemen. Geen dwangsom. Een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening acht de rechtbank op dit moment nog niet te verwezenlijken. De rechtbank wijst het verzoek met betrekking tot gezamenlijk gezag daarom af.
De uitspraak op rechtspraak.nl