Rb. Overijssel 20 juli 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:2271

De vorderingen van eiseres zijn in de kern gebaseerd op de stellingen dat er een exclusieve distributieovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, dan wel dat er sprake is van onrechtmatig afgebroken onderhandelingen en dat gedaagde gebrekkige producten heeft geleverd, althans dat de producten van gedaagde niet geschikt waren voor de door eiseres beoogde toepassing(en), terwijl haar dat wel was voorgespiegeld. Daarnaast is er sprake van een vordering in reconventie tot overlegging van jaarstukken. Daarnaast speelt het bevoegdheidsvraagstuk en het vraagstuk van het toepasselijk recht, nu gedaagde in Duitsland is gevestigd. De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van partijen en dat op zowel de vorderingen in conventie als de vordering in reconventie het Nederlands recht van toepassing is. De rechtbank is van oordeel dat er geen exclusieve distributieovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en dat gedaagde niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiseres. Verder is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat gedaagde op enigerlei wijze wanprestatie heeft gepleegd tegenover eiseres. Dit betekent dat in de hoofdzaak de vorderingen van eiseres zullen worden afgewezen. De rechtbank betrekt in het oordeel ook dat eiseres haar stellingen deels onvoldoende heeft gesubstantieerd. Als gevolg van de afwijzing heeft eiseres geen belang meer bij toewijzing van haar incidentele vorderingen zodat deze ook zullen worden afgewezen. De (overgebleven) vordering in reconventie in de hoofdzaak wordt gedeeltelijk toegewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken