Rb. Overijssel 13 oktober 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:3893

Eiser vordert ontheffing van het dwangbevel op grond van verjaring, artikel 5:35 lid 1 Awb. Van een stuiting is volgens eiser niet gebleken. Gedaagde daarentegen betwist dat sprake is van verjaring, omdat 1) beslag is gelegd en 2) er per e-mail duidelijk is gecommuniceerd over het feit dat gedaagde betaling wenst van het gevorderde bedrag. Volgens gedaagde is er wel gestuit. Beslaglegging valt onder ‘andere daden van rechtsvervolging’ ex artikel 3:316 BW en kan worden gezien als een stuitingshandeling. Het beslag is echter niet aan eiser overbetekend. Eiser was derhalve niet op de hoogte van dit beslag, dus geen stuitende werking. De e-mail van 15 oktober 2019 kan, gelet op de omstandigheden van het geval, gelijk worden gesteld aan een stuitingshandeling als bedoeld in artikel 4:105 en 4:106 Awb. Uit de mail van 15 oktober volgt dat gedaagde zich ondubbelzinnig het recht op nakoming voorbehoud. Er staat ook een dringend verzoek tot betaling in voor een bepaalde datum. Het was eiser naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat gedaagde de vordering onmiskenbaar zou handhaven. T.a.v. de kosten van het dwangbevel verwijst de rechtbank naar artikel 4:120 Awb. Zowel gerechtelijke (Btag) als buitengerechtelijke (Besluit buitengerechtelijke kosten) kosten kunnen worden gevorderd. De incassokosten worden pas in rekening gebracht bij het uitbrengen van het dwangbevel. Dat is in casu ook gebeurd. Hoogte van de incassokosten zijn op een juiste manier, conform staffel, berekend. Vordering van eiser tot ontheffing dwangbevel afgewezen. Geen misbruik van recht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken