Rb. Overijssel 2 september 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:4311
Tussenvonnis. Retentierecht. Naar het oordeel van de rechtbank is het motorjacht een roerende zaak die tevens registergoed is. Dit betekent dat voor zover eiser een jonger recht heeft, van belang is dat de feitelijke macht op een voor hem kenbare wijze over het motorjacht moet worden uitgeoefend. In het arrest van 5 december 2003, NJ 2004, 340, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat – kort gezegd – derden met een ouder recht zich niet kunnen beroepen op het kenbaarheidsvereiste. Hun positie wordt beschermd door het bepaalde in artikel 3:291 lid 2 BW. Daarbij moet naar het oordeel van de rechtbank niet uit het oog worden verloren dat in de praktijk bij de beoordeling of aan het vereiste van feitelijke machtsuitoefening en de vraag of aan het kenbaarheidsvereiste is voldaan veelal dezelfde omstandigheden een rol spelen. Uit het vorenoverwogene volgt niet dat – anders dan eiser heeft betoogd – het retentierecht kenbaar moet zijn om rechtsgeldig te worden uitgeoefend. De gevorderde onvoorwaardelijke afgifte van het motorjacht zal worden afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl