Rb. Overijssel 24 maart 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:1963
Werknemer neemt ontslag en treedt in dienst bij een derde, die een soortgelijke onderneming (uitzendbureau) exploiteert. Werkgever vordert daarop naleving non-concurrentiebeding en relatiebeding en de op overtreding daarvan staande boete. Werknemer vordert in reconventie schorsing van het non-concurrentiebeding, althans een vergoeding zolang dat beding wordt gehandhaafd. Anders dan weknemer meent, is het voldoende dat bij verlenging van een voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst naar een eerder correct overeengekomen concurrentiebeding verwezen en behoeft de tekst van het beding niet opnieuw te worden bijgevoegd. Werknemer wordt dan ook gelast het non-concurrentiebeding na te leven op straffe van een dwangsom. Gelet op de overtreding van werknemer van het non-concurrentiebeding is hij een boete aan werkgever verschuldigd. Anders dan werknemer betoogt, zijn de artikelen 7:650 en 651 BW niet toepasselijk op de boeteclausule in een non-concurrentiebeding. De boete wordt voorshands gematigd, gelijk in reconventie de duur van het non-concurrentiebeding. Voor een vergoeding aan werknemer ingevolge het vierde lid van artikel 7:653 BW is geen grond.
De uitspraak op rechtspraak.nl