Rb. Overijssel 30 oktober 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:2656
Civiele procedure na strafzaak ten aanzien van al dan niet meinedige verklaring van een getuige. Aansprakelijkheid getuige voor valse of meinedige verklaring in strafzaak? De rechtbank stelt voorop dat de strafrechter in ons rechtsbestel moet beoordelen of een verklaring geloof verdient en mede daarom als bewijsmiddel in de zin van artikel 339 lid 1 onder 3 of onder 5 Wetboek van Strafvordering wordt gebezigd. In het geval de stelling is dat door de strafrechter niet juist is overwogen en beslist, omdat aan een verklaring geen geloof kan worden gehecht, dient dit met behulp van de in het Wetboek van Strafvordering aangeduide gewone rechtsmiddelen door een hogere/andere strafrechter te worden beoordeeld. In casu staat vast dat de gewone rechtsmiddelen zijn uitgeput en dat alleen het buitengewone rechtsmiddel van herziening (art. 457 Wetboek van Strafvordering) in beginsel nog open staat. Het in het Wetboek van Strafvordering opgenomen systeem van gewone en buitengewone rechtsmiddelen betreft een zogenaamd gesloten systeem: daarbuiten bestaan dus in beginsel geen juridische mogelijkheden meer om op te komen tegen een overweging en/of beslissing van de strafrechter. Dit brengt mee dat van de rechter oordelend in civiele zaken niet kan worden gevergd dat hij beoordeelt of de strafrechter een door hem als bewijs gebezigde verklaring ondeugdelijk / onbetrouwbaar is (gebleken). Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen.
De uitspraak op rechtspraak.nl