Rb. Overijssel 12 juni 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:1493
Rechtsmacht. Cumulatie van bevoegdheden. De rechtbank is, onder verwijsing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 december 2007 (FBTO/Jack Odenbreit, LJN: BC3910), van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van eiser jegens gedaagde sub 1. Met betrekking tot de bevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van de vordering van eiser jegens gedaagde sub 2, is de rechtbank van oordeel dat uit artikel 5 lid 3 van de EEX-verordening volgt dat niet zij doch de Duitse rechter bevoegd is om hiervan kennis te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn in dit geval de belangen van gedaagden sub 1 en sub 2 zodanig identiek en onlosmakelijk met elkaar verbonden, dat zij als één en dezelfde partij in de zin van artikel 27 van de EEX-Verordening moeten worden beschouwd. Nu voorts aan de overige voorwaarden van artikel 27 EEX-Verordening is voldaan, zou dit naar het oordeel van de rechtbank betekenen dat d eDuitse rechter zich op grond van artikel 27 lid 2 van de EEX-Verordening onbevoegd dient te verklaren. Gelet hierop en gelet op de ratio van de autonome bevoegdheidsbepalingen als bedoeld in artikel 8 e.v. van de EEX-Verordening, namelijk bescherming van de zwakke(re) partij ten opzichte van de verzekeraar, ziet de rechtbank aanleiding om zich bevoegd te verklaren om kennis te nemen van zowel de vordering van eiser jegens gedaagde sub 1 als de vordering jegens gedaagde sub 2.
De uitspraak op rechtspraak.nl