Rb. Oost-Nederland 5 maart 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ5945

Besluit waarbij een omgevingsvergunning is verleend, bestaande uit een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (hierna: OBM) voor activiteiten als bedoeld in art. 2.1, lid 1 onder i van de Wabo voor de opslag van metalen in een container, en een omgevingsvergunning krachtens art. 2.1, lid 1, onder e, van de Wabo voor de uitbreiding van het bedrijfsterrein en de uitbreiding van de hoeveelheden en soorten afvalstoffen. (…) Ten aanzien van de stelling van eisers dat voor de activiteit wel een m.e.r. benodigd is en daarom niet kon worden volstaan met een OBM, overweegt de Rb. dat niet in geschil is dat geen sprake is van overschrijding van de aangegeven grenswaarden, zodat in zoverre geen m.e.r-plicht bestaat. Eiser stelt dat niettemin sprake is van een plicht tot het opstellen van een m.e.r. omdat sprake is van cumulatie met andere activiteiten op het bedrijventerrein. De Rb. overweegt dat uit de Wm en het Besluit m.e.r. niet kan worden afgeleid dat in dit geval een m.e.r.-plicht aanwezig is op grond van cumulatie. Echter, gelet op het arrest van het HvJ van de Europese Unie van 15 oktober 2009 (LJN: BK2754), waarin door het Hof is geconcludeerd dat Nederland de Europese richtlijn 85/337/EEG onjuist heeft geïmplementeerd voor wat betreft het vaststellen van drempels die alleen rekening houden met de omvang van projecten en niet met andere relevante criteria uit bijlage III van de richtlijn, dient bij de toepassing van voormelde bepalingen niettemin de cumulatie van milieueffecten te worden betrokken. (…) Verweerder heeft naar het oordeel van de Rb. voldoende gemotiveerd waarom het tot het oordeel is gekomen dat geen m.e.r.-plicht aanwezig was. Daarnaast blijkt uit de aanvraag van vergunninghoudster genoegzaam dat de milieurelevante emissies ten gevolge van de opslag van metalen in omvang geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Voor een ander oordeel is geen aanknopingspunt aanwezig. De Rb. acht in hetgeen eisers hebben aangevoerd en overigens naar voren is gekomen geen aanknopingspunt aanwezig voor het oordeel dat de door verweerder verleende OBM niet op de juiste wijze tot stand is gekomen of anderszins onjuist is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen