Rb. Oost-Nederland 19 februari 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ2617

Op grond van de Wabo is een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van installaties aan de buitenzijde van een gebouw. Op het pand rust de bestemming ‘bijzondere doeleinden’. Reeds in 2008 is een ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wro verleend voor gebruik van een gedeelte van het gebouw ten behoeve van horeca-doeleinden. Het pand is een Rijksbeschermd monument. Eisers hebben betoogd dat niet gebouwd wordt voor de geldende bestemming, maar voor de bestemming ‘horeca’ en dat de in 2008 verleende ontheffing alleen voorziet in van de bestemming afwijkend gebruik. De rechtbank verstaat deze stelling zo dat volgens eisers ook een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo verleend had moeten worden. De rechtbank oordeelt dat blijkens de aanvraag de installaties worden gebruikt voor vergaderen en horeca en dat zulks niet strijdig is te achten met de bestemming ‘bijzondere doeleinden’. Eisers hebben ook betoogd dat de realisatie van de installaties in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder echter doorslaggevende betekenis toekennen aan het advies van de welstandscommissie. Omdat aan het monument geen nieuwe bestemming wordt gegeven, als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder a, 4e, van het Bor, gaat de stelling van eisers dat een advies van de Minister van OCW benodigd was, naar het oordeel van de rechtbank voorts niet op. Daarnaast gaat de stelling van eisers niet op dat verweerder de uitgebreide voorbereidingsprocedure had dienen te volgen. In artikel 3.10, eerste lid, onder d, in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo, moet de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd worden, indien de aanvraag betrekking heeft op o.a. het in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, voor zover voor die activiteit een adviseur is aangewezen krachtens artikel 2.26, derde lid, van de Wabo. In artikel 2.26, derde lid, van de Wabo wordt verwezen naar het Bor en de gevallen bedoeld in artikel 2.2, van de Wabo. Nu het gebouw een Rijksmonument is en geen monument als bedoeld in de Monumentenverordening van de gemeente is krachtens de verordening geen vergunning of ontheffing vereist om het monument in enig in enig opzicht te wijzigen. Er is dus geen sprake van een geval als bedoeld in artikel 2.2, van de Wabo. Ook krachtens het Bor is geen adviseur aangewezen. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen