Rb. Oost-Nederland 20 februari 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ2596
Bezwaarschrift op grond van artikel 22g Sr. Het OM beoordeelt of degene die de taakstraf moet verrichten de door de rechter opgelegde vervangende hechtenis moet ondergaan. Nu niet is gebleken dat het OM gedurende de termijn waarbinnen de taakstraf moest zijn voltooid of binnen drie maanden na afloop van deze termijn een beslissing tot omzetting van de taakstraf naar vervangende hechtenis heeft genomen, moet de conclusie zijn dat de door de OvJ op het “voorstel vervangende hechtenis” van het CJIB genomen beslissing tot de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis ruimschoots buiten de in artikel 22c Sr bepaalde termijnen is genomen. De beslissing van de OvJ is derhalve in strijd met de wet genomen op een tijdstip waarop die beslissing niet meer mogelijk was en moet naar het oordeel van de politierechter als non-existent worden beschouwd, zodat die beslissing en de daarop gevolgde kennisgeving van het CJIB aan veroordeelde zonder rechtsgevolg moeten blijven. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bevel van het OM de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen geen rechtskracht heeft. Bezwaarschrift wordt gegrond verklaard en aantal nog te verrichten uren taakstraf wordt op nul gesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl