Rb. Oost-Nederland 16 januari 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ0403

Europees recht: - De Europese Commissie (EC) veroordeelt een rechtspersoon voor kartelafspraken in de tijd dat zij nog niet bestond. De nationale rechter moet de EC hierin volgen en die rechtspersoon veroordelen tot schadevergoeding ogv een onrechtmatige daad die zij niet zelf kan hebben gepleegd. - Als de EC een kartel voor de hele EER aanneemt zonder een specifiek nationaal project onderzocht te hebben, kan behoudens aanwijzingen voor het tegendeel ervan worden uitgegaan dat ook dat lokale project is beheerst door het kartel. Verzwaarde stelplicht rust op de inbreukmaker. - In het Europees recht wordt betekenis toegekend aan economische eenheden. In het nationaal schadevergoedingsrecht kan dat niet. Hier moet de verschillende rechtspersonen een eigen onrechtmatige daad kunnen worden aangerekend en een zelfstandig verwijt kunnen worden gemaakt. - Passing-on verweer. In Europees recht is dat een gangbaar verweer. In het Nederlands schadevergoedingsrecht wordt uitgegaan van de schade die is geleden ten tijde van de onrechtmatige daad. Dit betekent dat het doorberekeningsverweer in de sleutel moet worden gezet van voordeelverrekening van art. 6:100 BW. Hetgeen leidt tot een redelijkheidstoets. Verder: - Wetenschap van de enige aandeelhouder wordt toegerekend aan de vennootschap. - Van een gedaagde wordt gevergd dat hij zich stellig uitlaat over zijn eigen wetenschap of onwetendheid. De rechtbank verbindt gevolgen aan een niet persoonlijk verschijnen van gedaagde op de comparitie. - Hoofdelijke aansprakelijkheid rechtspersonen ex 6:166 BW (groepsverband), criteria. - Rechtsovergang bij fusie/inbreng: vordering uit nog niet bekende onrechtmatige daad hoeft niet geconcretiseerd in beschrijving ex 2:334f BW. - Verjaring: bekendheid/lichte onderzoeksplicht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen