Rb. Oost-Brabant 9 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4861
Een uitspraak over het opzettelijk vernielen van een vaste voortplantingsplaats of rustplaats van een steenmarter. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op de hooizolder van de schuur bij de boerderij van verzoekers 1 een rust- of verblijfplaats van een marter is geweest. Door het hooi te laten verwijderen nadat een ecoloog had geadviseerd hier nader onderzoek naar te verrichten, hebben verzoekers bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat een verblijf- of rustplaats werd verstoord. Dat daarna geen marter meer is aangetroffen doet hieraan niet af. Daarom heft de voorzieningenrechter een getroffen ordemaatregel op en wijst de verzoeken af. De voorzieningenrechter beschouwt de waarschuwing niet als een besluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:735
- ABRvS 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:628
- ABRvS 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:183
- ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:113
- ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:117
- ABRvS 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2816
- ABRvS A-G Widdershoven 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249
- ABRvS 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2394