Rb. Oost-Brabant 11 februari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4322

Op verzoek van de raad voor de kinderbescherming belast de rechtbank een moeder van 18 jaar met het gezag over haar kind. De rechtbank overweegt dat de raad bevoegd is om een dergelijk verzoek te doen op grond van artikel 1:241 BW. Uit artikel 1:253b BW, tweede lid, volgt niet dat een daartoe bevoegde ouder van rechtswege het ouderlijk gezag verkrijgt op het moment dat het gezag door een voogd eindigt. Deze bepaling ziet uitsluitend op het feitelijke tijdstip dat een ouder bevoegd wordt tot het gezag. Als het gezag door een voogd op een later moment eindigt, ligt voor een ouder de weg open van 1:253d BW. De rechtbank wijst verder het verzoek om het kind onder toezicht te stellen af, omdat de rechtbank er vertrouwen in heeft dat de benodigde hulpverlening in het vrijwillige kader kan plaatsvinden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen