Rb. Oost-Brabant 7 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2080
Veroordeling voor faillissementsfraude. Het gaat om: feit 1: als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd enig goed aan de boedel hebben onttrokken; feit 2: als bestuurder van een rechtspersoon, tijdens het faillissement van de rechtspersoon, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekken, meermalen gepleegd; feit 3: in het faillissement van een ander en wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen weigeren de vereiste inlichtingen te geven. De rechtbank houdt heel sterk rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en legt een onvoorwaardelijke taakstraf op van 60 uur. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, legt de rechtbank niet de bijkomende straf op, ontzetting van de uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon.
De uitspraak op rechtspraak.nl