Rb. Oost-Brabant 2 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2011

De gemeente kon in de gegeven omstandigheden rechtsgeldig tot huurbeëindiging van de ligplaats van de woonbootbewoner komen. De gevorderde verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tussen de gemeente en de woonbootbewoner is geëindigd per 1 juli 2024, is toewijsbaar, evenals de vordering van de gemeente om de woonbootbewoner te veroordelen zijn ligplaats uiterlijk per 1 juli 2028 te ontruimen. Voor zover de woonbootbewoners, waaronder gedaagde, hebben aangevoerd dat het (op grond van artikel 6:248 lid 2 BW) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de gemeente de huurovereenkomst heeft opgezegd, zonder daarbij rekening te houden met de financiële- en de woonbelangen van de woonbootbewoners en zonder dat zij worden gecompenseerd in hun vermogensverlies, wijst de kantonrechter er op dat de gemeente Scenario 3+ aan de woonbootbewoners aanbiedt en hen een ruime ontruimingstermijn gunt. De gemeente houdt dus wel degelijk rekening met de financiële belangen en de woonbelangen van de woonbootbewoners. Het klopt dat de woonbootbewoners geen andere ligplaats is aangeboden, maar die is in de gemeente Eindhoven (vooralsnog?) niet voorhanden. Het klopt ook dat de woonbootbewoners zonder ligplaats, waar hun woonboten liggen, geen plek hebben om te wonen. De kantonrechter ziet dat woonbelang, maar dit is geen belang dat door de wet wordt beschermd. De woonbootbewoners hebben - als huurder van een ligplaats van een woonboot – namelijk geen huurbescherming. De woonbootbewoners hebben ook terecht aangevoerd dat zij een financieel belang hebben. Hun woonboten worden minder waard als de huur eindigt en zij geen andere ligplaats kunnen vinden. Het aankopen van een andere woning zal inderdaad financieel niet haalbaar zijn met enkel de geboden compensatie, maar daarbij verliezen de woonbootbewoners uit het oog dat zij de ligplaats huren en dus geen eigenaar zijn van de ligplaats. De gemeente is eigenaar. De woonbootbewoners hebben dus geen recht gekregen op vergoeding van de waarde van de ligplaats. Daarbij was het voor de woonbootbewoners vanaf het begin van de huurrelatie duidelijk dat zij geen huurbescherming hadden, althans dat had het moeten zijn, want in hun huurovereenkomst is expliciet bepaald dat wanneer de gemeente besluit tot beëindiging van de huurovereenkomst, de woonbootbewoners geen recht hebben op schadevergoeding of het ter beschikking stellen van een andere ligplaats. Het risico dat hun woonboten minder waard worden als de huur eindigt en zij geen andere ligplaats kunnen vinden, heeft dus altijd bestaan en komt voor rekening van de woonbootbewoners. De gemeente heeft ter compensatie Scenario 3+ aangeboden. Op grond van artikel 6:248 lid 2 BW was de gemeente niet tot meer verplicht. De gemeente handelt ook niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, doordat zij Scenario 3+ heeft aangeboden en nog steeds onvoorwaardelijk bereid is om dit aanbod gestand te doen bij huurbeëindiging in onderling overleg met de woonbootbewoners. Evenmin is sprake van misbruik van opzegbevoegdheid.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken