Rb. Oost-Brabant 11 maart 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:1555
Vader vindt dat de Raad voor de kinderbescherming, Veilig Thuis, en Jeugdbescherming Brabant onrechtmatig jegens hem en zijn zoon hebben gehandeld, doordat zij voor zijn zoon niet tijdig/niet de juiste maatregelen hebben genomen en fouten hebben gemaakt. Hij stelt dat hij en zijn zoon daardoor zowel immateriële als materiële schade hebben geleden, waarbij die laatste erin bestaat dat hij niet of minder heeft kunnen werken in zijn eenmanszaak. De rechtbank verklaart vader niet-ontvankelijk in zijn vordering voor zover die betrekking heeft op zijn ten tijde van de dagvaarding al meerderjarige zoon. Voor het overige wordt de vordering van vader afgewezen en wordt hij veroordeeld in de proceskosten.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1:247 BW1
- Artikel 1:262 BW1
- Artikel 1:265f BW1
- Artikel 1:267 BW1
- Artikel 6:107 BW6
- Artikel 6:119 BW6
- Artikel 6:162 BW6
- Artikel 6:163 BW6
- Artikel 3:60 BW3
- Artikel 4.1.1 Jeugdwet
- Artikel 2 EVRM
- Artikel 6 EVRM
- Artikel 8 EVRM