Rb. Oost-Brabant 25 november 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:7717
Tijdens meerdere inspecties van de NVWA is vastgesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan: overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2, tiende lid onderdeel b, c of d van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd. De rechtbank legt op een maatregel als bedoeld in het tweede lid van artikel 8.11a Wet Dieren en beveelt dat de veroordeelde op geen enkele wijze – direct of indirect – runderen zal houden, voor de duur van 5 jaren. De maatregel is dadelijk uitvoerbaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl