Rb. Oost-Brabant 15 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2214

Directeur van een 8-tal vakantieparken en de moedermaatschappij wordt veroordeeld voor belastingfraude. Het betreft vier opzettelijke overtredingen van bepalingen uit de Algemene wet op de rijksbelastingen. Het gaat om feitelijk leidinggeven ex artikel 51 Sr. Ten minste vijf jaar lang is bewust een geldstroom buiten de administratie gehouden, die niet in de belastingheffing is betrokken en waardoor te weinig belasting is geheven. Verweer ne bis in idem-beginsel en una via-beginsel ex artikel 243 lid 2 Sv wordt verworpen. De officieren van justitie zijn ontvankelijk. Problematiek verschoningsrecht. Rechtbank stelt vormverzuim vast. Verweer sfeerovergang wordt eveneens verworpen. Er volgt geen bewijsuitsluiting. Afwijking van de strafeis wegens overschrijding van de redelijke termijn met bijna 3 jaar, de forse fiscale boetes die aan de verdachte en de moedermaatschappij zijn opgelegd en de inbreuk op het verschoningsrecht. Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De vordering van de officieren van justitie was een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De rechtbank legt geen strafrechtelijk bestuursverbod op. Redenen hiervoor zijn dat de verdachte niet eerder voor belastingfraude is veroordeeld. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte zijn vennootschappen (de vakantieparken) niet als zogenaamd vehikel heeft ingezet om enkel en alleen criminele inkomsten te genereren en strafbare feiten mee te plegen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken