Rb. Oost-Brabant 8 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2070

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan het onthouden van de nodige zorg aan een groot aantal honden. Veel honden hadden geen toegang tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit en waren onder onvoldoende hygiënische omstandigheden gehuisvest. Zij hadden te kleine hokken en zaten op nat stro, tussen hun eigen uitwerpselen. De dieren hadden last van ernstige tandsteen, vervilte vachten en huidaandoeningen en kregen kennelijk niet de juiste (medische) verzorging. De rechtbank weegt in strafmatigende zin mee dat verdachte al is getroffen door de gevolgen van de door hem gepleegde strafbare feiten, in die zin dat dit heeft geleid tot het verlies van zijn bedrijf. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat verdachte al geruime tijd gebukt gaat onder een publiekelijke veroordeling in zeer scherpe bewoordingen. Verdachte heeft uitgelegd dat de impact hiervan enorm is. De wijze van berichtgeving heeft zonder meer een beschadigend effect gehad op het persoonlijk leven van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. De rechtbank acht het van groot belang dat herhaling van de strafbare feiten, waardoor wederom groot dierenleed zou worden veroorzaakt, wordt voorkomen. Een houdverbod ligt daarom in de rede. De rechtbank legt dit houdverbod op, op basis van de bepalingen die golden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Dat wil zeggen dat het houdverbod wordt opgelegd als een bijzondere voorwaarde, met de maximale proeftijd van 10 jaren. Verdachte is verplicht om gedurende de gehele proeftijd mee te werken aan controles op het houdverbod.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen