Rb. Oost-Brabant 18 oktober 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:4977
Bevel aan bewaarder ex artikel 3:20 lid 2 BW om verstekvonnis in te schrijven in de openbare registers. Hoewel de verklaring van de griffier van de rechtbank dat ‘tot op heden geen verzetdagvaarding is aangebracht’ niet woordelijk overeenkomt met het bepaalde in artikel 25 lid 1 aanhef en onder b, ten 1° Kadasterwet, staat daarmee tevens vast dat aan de in dat artikel genoemde voorwaarde, inhoudende dat de griffier ‘drie maanden na de uitspraak niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken’, is voldaan. Ten tijde van de verklaring van de griffier waren er immers meer dan drie maanden verstreken sedert de datum van het verstekvonnis. Omdat dus aan het inschrijfvereiste van artikel 25 lid 1 aanhef en onder b, ten 1° Kadasterwet is voldaan, heeft de bewaarder inschrijving ten onrechte geweigerd. Compensatie proceskosten. De griffier behoort een verklaring af te geven die aansluit bij het doel waarvoor de verklaring wordt verzocht en die niet door de bewaarder, gezien haar lijdelijke rol bij de beoordeling van de inschrijfbaarheid van een aangeboden stuk, nog nader juridisch behoeft te worden geïnterpreteerd. Nu eiser de bewaarder niet heeft voorzien van een verklaring van de griffier die – zonder nadere uitleg en interpretatie zoals hiervoor verwoord – overeenkomt met de tekst van artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, ten 1° Kadasterwet, acht de voorzieningenrechter de weigering tot inschrijving door de bewaarder – gezien haar lijdelijke positie - niet onbegrijpelijk. Daarom compensatie kosten.
De uitspraak op rechtspraak.nl