Rb. Oost-Brabant 24 oktober 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:4972
De aanvraag heeft betrekking op het bouwen van een geitenstal met 800 dierplaatsen voor melkgeiten. Met de bouw van de extra geitenstal wordt niet beoogd om extra geiten te houden. De extra stal heeft tot doel om het leefoppervlak van de geiten te vergroten. Het college staat achter het plan van eiser. De vvgb is door GS geweigerd. Omdat de vvgb door GS is geweigerd, heeft het college op grond van artikel 2.20a van de Wabo de aanvraag voor de omgevingsvergunning geweigerd. Eiser betoogt dat GS de vvgb niet op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant had mogen weigeren. De rechtbank is van oordeel dat GS onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vvgb niet kan worden verleend. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de motivering van GS namelijk niet wat onder een ‘uitzonderlijk belang’ moet worden verstaan en waarom het dierenwelzijnsconcept van eiser en het economische belang van eiser bij het wijzigen van de inrichting niet een uitzonderlijk belang oplevert. Verder heeft GS op geen enkele manier inzichtelijk gemaakt waarom de verbetering van het welzijn van de dieren in dit specifieke geval redelijkerwijs niet aangemerkt kan worden als uitzonderlijk belang. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat daar een deugdelijke belangenafweging aan ten grondslag heeft gelegen, waarbij het algemeen belang van de volksgezondheid is afgewogen tegen het belang van eiser bij het wijzigen van de inrichting en het belang van dierenwelzijn. De laatstgenoemde belangen zijn in het bestreden besluit namelijk niet genoemd. Ook is de rechtbank van oordeel dat het aan GS is om in het kader van deze belangenafweging concreter te motiveren waarom het belang van de volksgezondheid prevaleert, door aan te geven waarom wijziging van de inrichting leidt tot een voor de volksgezondheid slechtere situatie. Uit het bestreden besluit blijkt bijvoorbeeld niet wat de gevolgen zijn van de ligging van de stal en de emissiepunten in de nieuwe situatie voor de volksgezondheidsrisico’s van omwonenden. Het komt er naar het oordeel van de rechtbank op neer dat GS met de in het bestreden besluit gegeven motivering heeft vastgehouden aan de redenen voor het instellen van het zogenoemde geitenmoratorium, zonder in te gaan op de vraag of er in dit geval aanleiding bestaat om daarvan af te wijken. Daarmee heeft GS onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een redelijke toepassing van de afwijkingsbevoegdheid niet mogelijk is.
De uitspraak op rechtspraak.nl