Rb. Oost-Brabant 23 juli 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:3445

De rechtbank komt tot de conclusie dat het college zijn standpunt dat er geen locaties binnen bestaand stedelijk gebied en op een bestaand bouwperceel in de gemeente beschikbaar zijn die voldoen aan de voorwaarden en kwaliteitseisen van de gemeente onvoldoende heeft gemotiveerd. Hiermee is onvoldoende gemotiveerd waarom de tijdelijke opvanglocatie in Landelijk gebied op grond van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is toegestaan en waarom wordt voldaan aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het college heeft verder deugdelijk onderbouwd waarom de locatie op zich geschikt is voor opvang van vluchtelingen. De rechtbank acht niet op voorhand aannemelijk dat de realisatie van het project het woon- en leefklimaat van eisers vanwege de omvang van de projectlocatie zodanig aantast of tot een dusdanige waardedaling van de woningen van eisers leidt, dat het college hierin aanleiding had moeten zien om de omgevingsvergunning te weigeren. Evenmin heeft het college vanwege de verkeersveiligheid de omgevingsvergunning behoeven te weigeren. Wel hadden er uit een oogpunt van handhaafbaarheid van een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden die zien op het gebruik van de projectlocatie. De rechtbank stelt het college in de gelegenheid de gebreken te herstellen. Tussenuitspraak.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken