Rb. Oost-Brabant 10 februari 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:743
De bewindvoerder heeft namens rechthebbende een verzoek machtiging ingediend om namens de rechthebbende de nalatenschap van erflaatster (de moeder van rechthebbende) te verwerpen. De termijn van drie maanden is op het moment van indienen van het verzoek verstreken. De bewindvoerder geeft aan dat er niets met deze nalatenschap is gebeurd. Zij is daarachter gekomen toen zij van de Belastingdienst een betalingsverzoek had ontvangen. Zij verzoekt alsnog de nalatenschap, namens de rechthebbende, te mogen verwerpen. Zij verwijst daarvoor naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 oktober 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:8787).De kantonrechter past de wettelijke termijn van 4:193 lid 2 BW onverkort toe en stelt daarbij vast dat de termijn is verstreken. De kantonrechter heeft verzoekster om die reden niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.
De uitspraak op rechtspraak.nl