Rb. Oost-Brabant 16 maart 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:6646

Dexia Effectenlease

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats `s-Hertogenbosch
Zaaknummer: 9008078 EL 21-10
vonnis van de kantonrechter d.d. 16 maart 2023,
in de zaak van
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
wonende [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces.
Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 21 januari 2021 van Dexia;
de hersteldagvaarding van 24 februari 2021 van Dexia;
de conclusie van antwoord van [gedaagde] ;
de conclusie van repliek van Dexia, tevens voorwaardelijke wijziging van eis;
de conclusie van dupliek van [gedaagde] ;
de rolmededeling van 16 juni 2022;
de akte uitlaten jurisprudentie van 19 januari 2023;
de antwoord akte van 16 februari 2023.

1.2 Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1 [gedaagde] heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:
Nr Contractnr. Datum Naam overeenkomst Looptijd Leasesom
I. [nummer 1] 30-11-2000 Profit Effect 120 mnd € 34.363,96
II. [nummer 2] 30-11-2000 Profit Effect 120 mnd € 14.896,90

2.2 De overeenkomsten zijn geëindigd op 17 mei 2006. Daarbij is een negatief resultaat van in totaal € 17.792,56 behaald, dat door [gedaagde] niet is voldaan. Wel heeft Dexia een bedrag van € 316,97 verrekend met dividendopbrengsten.

2.3 Bij brief van 26 november 2020 heeft Dexia [gedaagde] uitgenodigd om in gesprek te gaan en te onderzoeken of partijen tot afronding van het effectenleasedossier kunnen komen. [gedaagde] heeft hierop niet (inhoudelijk) gereageerd.

3 De vordering en het verweer

3.1 Dexia vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten: 1. [gedaagde] zal veroordelen tot betalen van een in goede justitie vast te stellen bedrag uit hoofde van de overeenkomsten onder de nummers [nummer 1] en [nummer 2] ;
2. zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de voornoemde overeenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is, 3. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.

3.2 [gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten en de nakosten.

3.3 Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

4 De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [gedaagde] .

4.2 De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

4.3 Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[gedaagde] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

4.4 Dexia vordert een verklaring voor recht die ertoe strekt het niet-bestaan van een recht vast te stellen. In haar visie is zij niets meer aan [gedaagde] verschuldigd.

4.5 [gedaagde] stelt dat nog niet te overzien is of er nog een vordering op Dexia resteert, omdat de jurisprudentie op een aantal onderwerpen nog niet is uitgekristalliseerd. Hij wenst de ontwikkelingen af te wachten. In elk geval meent hij nog een vordering te hebben vanwege berekening van resterende termijnen, de advisering door een tussenpersoon en de schending van artikel 41 NR 1999. Ook stelt [gedaagde] dat door Dexia onvoldoende buitengerechtelijke kosten zijn betaald.

4.6 In beginsel is het aan de schuldeiser van een vordering om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Indien hij de regels ten aanzien van de (stuiting van) de verjaring (en onder omstandigheden de klachtplicht) in acht neemt, kan hij daarvoor de tijd nemen. Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Ook hem moet de mogelijkheid worden geboden om aan die situatie op enig moment een einde te maken door uitsluitsel te kunnen krijgen over de vraag of het gaat om daadwerkelijk bestaande civielrechtelijke rechten. Daartoe kan de door Dexia gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel zijn. Bij een dergelijke negatieve verklaring voor recht, blijven de stelplicht en bewijslast rusten op de partij die in materieel opzicht aan bepaalde feiten rechtsgevolgen verbonden wil zien. De vorm waarin de vordering is gegoten is daarbij niet bepalend. Voor toewijzing van de vordering van Dexia is vereist dat in dit geding kan worden vastgesteld dat zij niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is. Dat betekent dat wanneer dat niet ten volle kan worden vastgesteld, in beginsel afwijzing van de vordering behoort te volgen, dan wel de vordering slechts voorwaardelijk toewijsbaar is. afwachten ontwikkelingen in de jurisprudentie

4.7 [gedaagde] voert aan dat hij de komende ontwikkelingen in de jurisprudentie wil afwachten, zodat de vordering van Dexia niet toegewezen kan worden zolang nog geen beslissingen in hoogste instantie zijn gegeven. Dit verweer wordt niet gevolgd. Het enkele feit dat er een mogelijkheid bestaat dat de jurisprudentie zich op enig moment in de toekomst in een voor [gedaagde] gunstiger zin zal kunnen ontwikkelen, betekent niet dat thans niet zou kunnen of mogen worden beslist over de aanspraken van [gedaagde] .

4.8 Met de door de Hoge Raad eerder gegeven maatstaven staat in de onderhavige zaken vast dat Dexia een onrechtmatige daad heeft gepleegd, dat de daardoor veroorzaakte schade, waarvoor Dexia in beginsel aansprakelijk is, moet worden vergoed en dat de eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW de verdeelsleutel geeft om die schade over partijen te verdelen. Dat de mogelijkheid van nieuwe ontwikkelingen in de jurisprudentie aanwezig is, vormt geen belemmering om op de voorgelegde geschilpunten te beslissen, nu die mogelijkheid ook op andere rechtsterreinen en in andere soorten zaken steeds aanwezig is.
verjaring 4.9. Dexia stelt dat een eventuele vordering van [gedaagde] in verband met een schending van artikel 41 NR 1999 inmiddels verjaard is. Dit verweer kan niet worden gevolgd. In de uitspraken van diverse rechtbanken in het recente verledenzijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op onder andere verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigde van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat het beroep op verjaring doel treft.
tussenpersoon

4.10 [gedaagde] heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [A] B.V. Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2022 (ECLI :NL:HR:2022:862) is opnieuw geoordeeld dat indien de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, tevens – naar de aanbieder wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven, daarmee vaststaat dat de aanbieder heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999, dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995. De Hoge Raad heeft daarbij, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn.
Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer.

4.11 Dexia stelt in haar laatste akte dat op basis van de door de Hoge Raad tot
uitgangspunt genomen wet- en regelgeving, de vraag of een aanbeveling die een tussenpersoon als geschikt voor een afnemer heeft voorgesteld niet los kan worden gezien van het door de tussenpersoon verrichte onderzoek naar de financiële positie, kennis en ervaring en de beleggingsdoelstellingen. Dexia gaat er daarmee ten onrechte van uit dat het genoemde arrest van de Hoge Raad meebrengt, dat een afnemer dient aan te tonen dat de tussenpersoon een geschiktheidsonderzoek heeft uitgevoerd en op basis daarvan de betreffende overeenkomst als geschikt aan de afnemer heeft voorgesteld. Deze lezing van het arrest wordt niet gevolgd. Er kan immers, volgens het arrest, ook sprake zijn van een gepersonaliseerde aanbeveling als de aanbeveling is voorgesteld als geschikt voor de betreffende afnemer zonder dat deze berust op een afweging van diens persoonlijke omstandigheden. Zelfs als in het geheel geen afweging is gemaakt, kan onder omstandigheden sprake zijn van een aanbeveling die – wellicht geheel ten onrechte – door de tussenpersoon is voorgesteld als geschikt voor de betreffende afnemer (het verkooppraatje). 4.12. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [gedaagde] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had althans behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [gedaagde] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [gedaagde] . Dat is immers degene die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia en de vergunningplichtige advisering beroept. De door [gedaagde] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee, dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [gedaagde] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.

4.13 [gedaagde] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
[gedaagde] is via een folder van Pluspunt [A] over het Triple Effect in contact gekomen met [A] . Naar aanleiding van de informatie over het Triple Effect in de folder heeft [gedaagde] besloten een overeenkomst aan te vragen. Dit heeft [gedaagde] gedaan via aanvraagformulieren van [A] . Vervolgens heeft [gedaagde] de overeenkomsten ontvangen en deze per post geretourneerd (aan [A] ). Uit de aanvragen blijkt duidelijk dat [A] deze formulieren naar Dexia heeft gefaxt. [gedaagde] ontving hierna een brief van [A] , waarbij de overeenkomst werd toegestuurd. Uit die brief blijkt ook dat Bank Labouchere de door Dexia opgestelde schriftelijke overeenkomst(en) aan [A] stuurde. Dit deed Bank Labouchere conform de remisier-overeenkomst die zij met iedere tussenpersoon (en dus ook met [A] ) aanging, en conform de Handleiding.

4.14 [gedaagde] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht: - een kopie van de aanvraagformulieren ten name van [gedaagde] ;
- een kopie van een brief op briefpapier van PlusPunt [A] van 30 maart 1999, niet gericht aan [gedaagde] ;
- een kopie van de Handleiding, waarnaar [gedaagde] verwezen heeft;
- een kopie van de overeenkomsten van 30 november 2000 met contractnummers [nummer 1] en [nummer 2] , voorzien van het adviseursnummer [nummer 3] - [A] B.V.

4.15 Deze stukken vormen, gelet op het gemotiveerde verweer van Dexia, onvoldoende onderbouwing voor de stellingen van [gedaagde] zodat niet geconcludeerd kan worden dat sprake is geweest van vergunningsplichtige advisering door de tussenpersoon. [gedaagde] heeft slechts in algemene bewoordingen en met verwijzing naar andere situaties gereageerd op hetgeen Dexia heeft aangevoerd. Er is gesteld noch onderbouwd dat een huisbezoek of een ander persoonlijk contact tussen [gedaagde] en de tussenpersoon heeft plaatsgevonden waarbij enig advies is gegeven.
resterende termijnen

4.16 [gedaagde] stelt voorts dat Dexia nog een bedrag dient te vergoeden omdat ten onrechte op de eindafrekeningen resterende termijnen in rekening zijn gebracht. De schade die als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia is ontstaan, bestaat volgens [gedaagde] naast de restschuld uit de schade wegens de door [gedaagde] verschuldigde termijnen, dat wil zeggen zowel de betaalde termijnen als de bij de eindafrekening nog achterstallige in rekening gebrachte termijnen.

4.17 Tussen partijen is in geschil of Dexia op grond van bedingen in de (Bijzondere voorwaarden bij de) overeenkomsten bij de eindafrekeningen in totaal een bedrag van € 10.994,91 (€ 7.669,92 bij de overeenkomst met nummer [nummer 1] en € 3.324,99 bij de overeenkomst met nummer [nummer 2] ) bij [gedaagde] in rekening mocht brengen wegens de voortijdige beëindiging van de overeenkomsten. [gedaagde] heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van bovenbedoelde bedingen, onder meer omdat dit volgens hem ‘oneerlijk bedingen’ vormen als bedoeld in de Richtlijn 93/13 EEG (hierna: de Richtlijn).

4.18 In zijn prejudiciële beslissing van 21 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:773) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een beding in de algemene voorwaarden van Dexia op grond waarvan Dexia in het geval van een tussentijdse beëindiging van de overeenkomst wegens nalatigheid van de zijde van de wederpartij bevoegd is om zonder meer het onbetaalde restant van de overeengekomen leasesom(men) op te eisen, een beding is dat op grond van de Richtlijn als oneerlijk moet worden beschouwd. Om die reden is de rechter gehouden om een dergelijk beding op grond van artikel 6:233 BW te vernietigen voor zover dit betrekking heeft op termijnen die ten tijde van de beëindiging op grond van die bepaling nog toekomstig waren. Op die termijnen kan dan niet langer op grond van de contractuele Bijzondere voorwaarden aanspraak worden gemaakt.

4.19 De vraag of de beëindiging van de overeenkomst moet worden aangemerkt als een beëindiging op grond van contractuele bepalingen, dan wel als een ontbinding in de zin van artikel 6:265 BW, is naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant voor de vraag of het beding in de Bijzondere Voorwaarden op grond waarvan Dexia aanspraak maakt op resterende termijnen ‘oneerlijk’ is in de zin van de Richtlijn (vergelijk Hof Den Bosch 12 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:515). Bovenbedoelde beslissing van de Hoge Raad wordt ook in de onderhavige zaak van toepassing geacht.

4.20 Evenmin wordt relevant geacht of de beëindiging van de overeenkomst is geschied door Dexia of door [gedaagde] Dit is immers niet van invloed op de kwalificatie van de bedingen, op grond waarvan Dexia aanspraak heeft gemaakt op betaling wegens resterende termijnen, als zijnde ‘oneerlijk’ als bedoeld in de Richtlijn.

4.21 Dit leidt, zoals inmiddels een vaste lijn is in de jurisprudentie, tot de conclusie dat de bedingen die Dexia aanspraak geven op na beëindiging van de overeenkomst nog resterende termijnen dienen te worden vernietigd.

4.22 Uit het arrest van het Hof van Justitie van 21 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) volgt dat bij vernietiging van het beding in de (Bijzondere voorwaarden bij) de overeenkomst Dexia evenmin op grond van de wet aanspraak heeft op (gehele of gedeeltelijke) vergoeding van de schade die zij door de voortijdige beëindiging van de overeenkomst heeft geleden.

4.23 Dexia wordt niet gevolgd in haar stelling dat het vervallen van de post contant gemaakte resterende rentetermijnen ook meebrengt dat de toegepaste korting bij de post restant hoofdsom moet komen te vervallen, omdat deze korting dezelfde basis heeft als de korting op de toekomstige rentetermijnen. De vernietiging en de gevolgen daarvan strekken zich slechts uit tot het gedeelte van de overeenkomst dat oneerlijk is en zien daarmee alleen op de nog verschuldigde rentetermijnen. De overeenkomst moet voor het overige zonder wijzigingen voortbestaan (ECLI:EU:C:2021:68, punt 62). Voor zover Dexia op grond van de Bijzondere voorwaarden bij de beëindiging van de overeenkomst de nog verschuldigde hoofdsom contant dient te maken, is zij ten gunste van [gedaagde] van de wettelijke regeling afgeweken. Niet gebleken is dat de overeenkomst in zoverre niet in stand kan blijven als het gedeelte daarvan dat oneerlijk is wordt vernietigd. In dit verband wordt verwezen naar het arrest van hof Amsterdam van 14 september 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:2826).

4.24 Dexia stelt dat de mogelijkheid om een beroep te doen op de vernietigbaarheid van de oneerlijke bedingen reeds was verjaard, omdat de verjaringstermijn van drie jaar vanaf het moment dat zij jegens [gedaagde] een beroep deed op de Bijzondere voorwaarden (artikel 6:235 lid 4 BW), wat zij deed bij het opstellen van de eindafrekening. De kantonrechter volgt Dexia evenmin in deze stelling en verwijst daarbij naar de overwegingen van hof Amsterdam in het arrest van 14 september 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:2826), die hierbij worden overgenomen., waaronder in het bijzonder r.o. 3.15.

4.25 Uit het voorgaande volgt dat de posten die zien op de contant gemaakte resterende termijnen in de eindafrekeningen van in totaal € 10.994,91 komen te vervallen. Als gevolg van het vervallen van de posten contant gemaakte resterende termijnen resteert bij de overeenkomst met nummer [nummer 1] een restschuld van (€ 11.629,82 -/- € 7.669,92 =) € 3.959,90 en bij de overeenkomst met nummer [nummer 2] een restschuld van (€ 6.162,74 -/- € 3.324,99 =) € 2.837,75, dus in totaal € 6.797,65, waarvan, conform bestendige jurisprudentie, 1/3 deel, dus € 2.265,88 voor rekening van [gedaagde] komt. Hierop kan in mindering strekken hetgeen Dexia reeds heeft verrekend aan dividendopbrengsten. [gedaagde] dient aldus nog te betalen een bedragen van € 1.948,91.

4.26 Bij voorgaande berekening is de oorspronkelijke eindafrekening per 17 mei 2006 als uitgangspunt genomen. Dexia heeft de eerdere opzegging door [gedaagde] niet geaccepteerd en heeft de overeenkomst vervolgens wegens wanbetaling per 17 mei 2006 beëindigd, waartegen [gedaagde] zich verder ook niet heeft verzet. Nu de overeenkomst niet rechtsgeldig is vernietigd of ontbonden zal [gedaagde] aan de daaruit voortkomende betalingsverplichtingen dienen te voldoen.
wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

4.27 De wettelijke rente wordt, als onvoldoende bestreden, toegewezen over het nog verschuldigde bedrag van € 1.948,91. De wettelijke rente is in dit geval verschuldigd vanaf tien dagen na 17 mei 2006 (datum van de eindafrekeningen) tot de dag der algehele voldoening.

4.28 Voor zover [gedaagde] meent nog recht te hebben op een vergoeding van buitengerechtelijke kosten, wordt overwogen dat de stellingen dienaangaande geen aanleiding vormen om tot een ander oordeel te komen dan in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019 dat partijen bekend is.

4.29 Nu [gedaagde] grotendeels in het ongelijk wordt gesteld, wordt hij veroordeeld in de proceskosten.

5 5. De beslissing

De kantonrechter

5.1 veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 1.948,91, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf tien dagen na 17 mei 2006 tot de dag der algehele voldoening,

5.2 verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomsten met nummers [nummer 1] en [nummer 2] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is,

5.3 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de zijde van Dexia tot en met heden worden vastgesteld op € 103,83 dagvaardingskosten, € 507,00 vast recht en € 660,00 salaris van de gemachtigde

5.4 verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.5 wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek, kantonrechter, enin het openbaar uitgesproken op 16 maart 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken