Rb. Oost-Brabant 16 oktober 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:4968
Aan eiseres is een toevoeging verleend voor een verzoek om een straat- en/of contactverbod in een civielrechtelijk kort geding. Eiseres is het niet eens met de aan haar opgelegde eigen bijdrage en beroept op artikel 57 van het Verdrag van Istanbul (het Verdrag). De rechtbank stelt vast dat artikel 57 van het Verdrag een ieder verbindende bepalingen bevat waarop een slachtoffer in de zin van het Verdrag een beroep kan doen. De rechtbank toetst vervolgens de voor eiseres nadelige bepalingen in artikel 35 van de Wrb en het Bebr aan artikel 57 van het Verdrag. De rechtbank oordeelt dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom voor het verlenen van gratis rechtsbijstand onderscheid wordt gemaakt tussen strafzaken en procedures op andere rechtsgebieden. Hieruit volgt niet dat een rechtzoekende op grond van artikel 57 van het Verdrag in alle gevallen recht op gratis rechtsbijstand toekomt. De verdragspartij heeft ruimte om een inkomensgrens te stellen of de gratis rechtsbijstand te beperken tot bepaalde maatregelen, mits die keuze goed is gemotiveerd. Daarbij dient de raad te betrekken dat het Verdrag er op is gericht om zoveel mogelijk belemmeringen weg te nemen voor slachtoffers bij het zoeken naar effectieve rechtsbescherming tegen geweld. Wat betreft eiseres staat het verlangen van een eigen bijdrage naar het oordeel van de rechtbank niet in een redelijke verhouding tot het ermee te bereiken doel. De rechtbank concludeert dat de raad ten onrechte heeft nagelaten om in het geval van eiseres artikel 35 van de Wrb, in samenhang gelezen met het Bebr, buiten toepassing te laten wegens strijd met artikel 57 van het Verdrag. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 van de Awb voorbereid.
De uitspraak op rechtspraak.nl