Rb. Oost-Brabant 17 augustus 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:4048
Verzoekster exploiteert een vakantiepark, waarop zich een horeca-inrichting bevindt. De burgemeester heeft met toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) de alcoholwetvergunning voor de horeca-inrichting ingetrokken op de grond dat ernstig gevaar bestaat dat deze mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (de zogenaamde. a-grond), of strafbare feiten te plegen (de zgn. b-grond). Daarnaast heeft de burgemeester de vergunning ingetrokken omdat de leidinggevende niet langer voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn. De voorzieningenrechter vindt allereerst dat verzoekster het spoedeisend belang voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Vervolgens komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat het bezwaar tegen de intrekking op de a-grond geen redelijke kans van slagen heeft. De burgemeester heeft voldaan aan de vergewisplicht en mag het Bibob-advies van het Landelijk Bureau Bibob (LBB) aan zijn beslissing ten grondslag leggen. Hij mag op basis van het advies tot de conclusie komen dat voldaan is aan de a-grond: er bestaat ernstig gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen op geld waardeerbare voordelen, die zeer groot zijn, te benutten. Verder is de intrekking van de vergunning, ondanks dat dit voor verzoekster ingrijpende gevolgen heeft, noodzakelijk en evenwichtig. Omdat het bezwaar tegen de afwijzing op de a-grond geen redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter in deze uitspraak niet de andere door de burgemeester gehanteerde intrekkingsgronden van de vergunning en wijst hij het verzoek om schorsing van de intrekking van de vergunning af.
De uitspraak op rechtspraak.nl