Rb. Oost-Brabant 31 mei 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:2641

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser over de weigering van de Raad om toevoegingen (terug) op eisers naam te zetten. Op 28 januari 2016 heeft de Raad 49 toevoegingen die aan eiser waren verleend op verzoek van een derde aan die derde gemuteerd. In oktober 2016 heeft eiser de Raad verzocht deze toevoegingen terug op zijn naam te zetten. Dit verzoek heeft de Raad afgewezen. Het door eiser daartegen gemaakte bezwaar heeft de Raad ongegrond verklaard. De rechtbank toetst het bestreden besluit, maar zij realiseert zich dat het bestreden besluit (inhoudelijk) het standpunt van de Raad over het mutatiebesluit van 28 januari 2016 betreft. Dat betekent dat een oordeel over het bestreden besluit automatisch ook een oordeel over het eerdere mutatiebesluit behelst. De rechtbank komt tot het oordeel dat de Raad het bestreden besluit in redelijkheid niet heeft kunnen nemen. Het besluit van 28 januari 2016 is onzorgvuldig voorbereid en is daarom in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Omdat het mutatiebesluit van 28 januari 2016 niet op deze wijze genomen had mogen worden, kan ook het bestreden besluit niet in stand blijven. Uit het voorgaande oordeel volgt dat het mutatiebesluit van 28 januari 2016 evident onrechtmatig is. De Raad kan zich dan ook niet op de formele rechtskracht van het mutatiebesluit van 28 januari 2016 beroepen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken