Rb. Oost-Brabant 22 februari 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:1248
Geldlening, artikel 1791 BW (oud), verjaring, eis- en (feitelijke) grondslagwijziging: spreekaantekeningen zijn geen conclusie of akte in de zin van artikel 130 lid 1 Rv.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: C/01/378978 / HA ZA 22-71
Vonnis van 22 februari 2023
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.W. Huijzer te Papendrecht,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden ] ,
advocaat: mr. J. van Zinnicq Bergmann te 's-Hertogenbosch.
1 De procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 april 2022; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 november 2022 en de daarin genoemde stukken.
1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
2.1 In 2006 en 2007 heeft [eiser] meerdere contante geldbedragen aan [gedaagde 1] verstrekt. Vast is komen te staan dat het in ieder geval gaat om € 8.000,00 voor een paard en € 800,00 voor een rijzadel ten behoeve van [gedaagde 2] . In deze periode was [gedaagde 1] samen met zijn toenmalige echtgenote (niet [gedaagde 2] ) ook bezig met de verbouwing van een stal gelegen in [plaats] tot een paardenstal met rijbak. In verband met dat project heeft [eiser] in die periode meerdere malen contante bedragen verstrekt aan [gedaagde 1] . Daarnaast heeft [eiser] voor dat project materialen ter beschikking gesteld aan [gedaagde 1] .
2.2 Op 14 februari 2014 heeft op het kantoor van [A] B.V. (hierna: ‘ [A] ’) een bespreking plaatsgevonden tussen partijen. Daarbij was ook de heer [B] (hierna: ‘ [B] ’), werkzaam bij [A] , aanwezig. In deze bespreking hebben [eiser] en [B] aangedrongen op terugbetaling van de door [eiser] aan [gedaagde 1] verstrekte geldbedragen. Door [eiser] is een document overgelegd, dat is gedateerd op 14 februari 2014, waarvan de tekst, voor zover relevant, luidt als volgt:
‘Op of omstreeks juli 2009 hebben lener ( [gedaagde 1] , toevoeging rb.) van uitlener ( [eiser] , toevoeging rb.) een bedrag hebben ontvangen van groot €100.000,00 tegen een rente van 4% per jaar.
Dat lener en uitlener terzake van rente en aflossing het navolgende schriftelijk wensen vast te leggen:
Dat partijen overeenkomen maandelijks ten aan zien van deze schuld en rente een bedrag te voldoen van €250,- per maand. Dit bedrag dient te worden voldaan op de derde gelde rekening van Stg. 3degelden [A] [bankrekeningnummer]
Tot 1 maart 2015. Op die dag zal tussen de partijen een nieuwe overeenkomst worden getekend.
Aldus opgemaakt te 's Hertogenbosch op 14 februari 2014 ten kantore van [A] B.V. taxateurs en veilinghouders.’
2.3 Dit document is niet ondertekend door [gedaagde 1] .
2.4 [gedaagde 2] heeft in de periode van maart 2014 tot en met april 2015 iedere maand een bedrag van € 250,00 overgemaakt op de bankrekening van [A] . Het gaat in totaal om een bedrag van € 3.500,00.
3 Het geschil
3.1 [eiser] vordert bij dagvaarding, dat de rechtbank, bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden ] hoofdelijk veroordeelt, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van
€ 100.000,00 ten titel van de hoofdsom;
€ 59.002,80 ten titel van de contractuele rente van 4% over 1 juli 2009 tot en met 11 januari 2022, rekening houdende met de deelbetalingen die ex artikel 6:44 BW in mindering strekken op de contractuele rente en vermeerderd met de contractuele rente over € 100.000,00 vanaf 12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
de buitengerechtelijke incassokosten (BIK) van € 1.775,00, althans een zodanig bedrag als de rechtbank zal vermenen te behoren; en
4. de proceskosten, het salaris van de advocaat van [eiser] en alle nakosten daaronder begrepen.
3.2 [eiser] legt bij dagvaarding aan zijn vorderingen ten grondslag dat op of omstreeks 1 juli 2009 tussen [eiser] en [gedaagde 1] een overeenkomst van geldlening is afgesloten tegen een rente van 4% per jaar. [eiser] heeft toen aan [gedaagde 1] een bedrag geleend van € 100.000,00. [gedaagde 2] was ten tijde van het sluiten van de geldleningsovereenkomst in volledige gemeenschap van goederen gehuwd met [gedaagde 1] . Hierdoor is zij mede aan te spreken voor de vorderingen op grond van artikel 1:96 BW. Het betreft een hoofdelijke aansprakelijkheid. Op 14 februari 2014 is een betalingsregeling tot stand gekomen, op basis waarvan [gedaagde 2] in totaal € 3.500,00 heeft voldaan. Verdere betaling door [gedaagden ] is uitgebleven. Tussen oktober 2016 en mei 2021 is [gedaagde 1] door een door [eiser] ingeschakeld incassobureau meermaals schriftelijk gesommeerd om tot betaling over te gaan. Door [eiser] is de lening opgeëist, maar betaling van de lening en de rente is uitgebleven.
3.3 [gedaagden ] betwist dat [gedaagde 1] op of omstreeks 1 juli 2009 € 100.000,00 heeft geleend en dat tussen partijen de door [eiser] gestelde overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen. Daarnaast zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet gehuwd. [gedaagde 2] heeft de betalingen aan [eiser] verricht, omdat [gedaagden ] tijdens de bespreking op het kantoor van [A] zijn bedreigd. [gedaagden ] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure en de nakosten.
3.4 Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1 De advocaat van [eiser] heeft ter zitting zijn schriftelijke spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen, waarin in randnummer 15 is opgenomen dat [eiser] zijn eis zodanig wil wijzigen, dat subsidiair de wettelijke rente ex artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek (BW) over de hoofdsom vanaf 1 juli 2009 wordt gevorderd. [gedaagden ] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Artikel 130 lid 1 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) bepaalt dat zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, de eiser bevoegd is zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen. De rechtbank is van oordeel dat de spreekaantekeningen in het onderhavige geval niet kunnen worden aangemerkt als een conclusie of een akte in de zin van artikel 130 lid 1 Rv., omdat de raadsman van [eiser] deze zelf niet heeft aangemerkt als conclusie of akte. Evenmin heeft hij van de aangekondigde eiswijziging tijdens de zitting akte gevraagd respectievelijk heeft de rechtbank akte verleend voor de eiswijziging. Dit betekent dat de eis niet op de wettelijk voorgeschreven wijze is gewijzigd en de rechtbank moet uitgaan van de eis die in de dagvaarding is opgenomen.
4.2 De overeenkomst van geldlening is volgens de stellingen in de dagvaarding tot stand gekomen op of omstreeks 1 juli 2009. Op 1 januari 2017 is in boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Titel 2c (geldlening) in werking getreden. Deze titel is alleen van toepassing op overeenkomsten die ná de inwerkingtreding ervan zijn gesloten op grond van artikel 200 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (Overgangswet NBW). Op overeenkomsten die voor de inwerkingtreding tot stand zijn gekomen blijven de bepalingen van boek 7A titel 14 Burgerlijk Wetboek (oud) (BW oud) van toepassing op grond van artikel 68a lid 2 Overgangswet NBW. De rechtbank zal het geschil daarom beoordelen met inachtneming van het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2017.
4.3 Een overeenkomst van geldlening betreft een overeenkomst van verbruikleen in de zin van artikel 7A:1791 BW oud. Onder het oude recht is de overeenkomst van verbruikleen een reële overeenkomst. Dat betekent dat voor de totstandkoming van de overeenkomst alleen wilsovereenstemming niet voldoende is. De geldleningsovereenkomst komt pas tot stand indien en zodra het geld in de macht van de lener is gekomen. Zolang de lener de gelden niet in zijn macht heeft is er geen sprake van een geldleningsovereenkomst (vgl. A-G De Bock, conclusie van 29 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:352).
4.4 Ter zitting heeft [eiser] uitdrukkelijk verklaard dat hij op of omstreeks 1 juli 2009 geen geldbedrag van € 100.000,00 aan [gedaagde 1] heeft verstrekt. Aangezien een geldleningsovereenkomst onder het oude recht uitsluitend tot stand kan komen, indien en zodra het geldbedrag daadwerkelijk is verstrekt, is dus van een geldlening van € 100.000,00 op of omstreeks 1 juli 2009 geen sprake. Dat staat aan toewijzing van de vordering op deze feitelijke grondslag in de weg.
4.5 Ter zitting heeft [eiser] nader aangevoerd en ook zijn raadsman heeft betoogd, dat de gevorderde hoofdsom van € 100.000,00 een optelsom is van meerdere geldbedragen die [eiser] aan [gedaagde 1] of aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gezamenlijk heeft verstrekt. [gedaagde 1] heeft erkend dat hij meerdere geldbedragen van [eiser] heeft geleend, maar hij betwist dat dit in totaal om € 100.000,00 ging. Volgens [gedaagde 1] ging het om geldleningen in 2006 en 2007 en is de vordering dus hoe dan ook verjaard.
4.6 De rechtbank constateert dat door en zijdens [eiser] ter zitting andere feiten aan zijn vordering ten grondslag zijn gelegd, dan hij in zijn dagvaarding heeft gedaan. Dit moet worden aangemerkt als een feitelijke grondslagwijziging van de eis. Ook op een feitelijke grondslagwijziging van de eis is artikel 130 lid 1 Rv van toepassing. Zoals aangegeven moet de wijziging van de feitelijke grondslag van de eis gebeuren bij conclusie of akte ter rolle. Dat is hier niet gebeurd. Niet voldoende is dat in spreekaantekeningen een beroep wordt gedaan op een andere feitelijke grondslag. Dat betekent dat de rechtbank alleen acht kan slaan op de feitelijke grondslag die in de dagvaarding is ingenomen, te weten een geldlening van € 100.000,00 op of rond 1 juli 2009. Omdat van een zodanige specifieke lening geen sprake was, zoals [eiser] heeft verklaard, moet de vordering reeds daarom worden afgewezen, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen.
4.7 In deze zaak ziet de rechtbank aanleiding om geheel ten overvloede nog inhoudelijk in te gaan op enige stellingen van partijen.
Op de door [gedaagde 1] erkende geldleningen na is volstrekt onduidelijk gebleven welke bedragen wanneer aan wie zijn geleend. In zoverre is de vordering onvoldoende onderbouwd. Verder geldt dat de rechtbank met [gedaagden ] oordeelt dat met betrekking tot de door [gedaagde 1] erkende geldleningen van vóór 2009 de vordering is verjaard.
4.8 Vaststaat dat [eiser] en [gedaagde 1] geen afspraken hebben gemaakt over het moment waarop [gedaagde 1] deze bedragen had moeten terugbetalen respectievelijk [eiser] deze bedragen had kunnen terugvorderen.
In beginsel geldt dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden (artikel 3:307 lid 1 Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Dat is anders indien sprake is van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd. In dat geval loopt de verjaringstermijn pas van de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan (artikel 3:307 lid 2 BW). Blijkens de parlementaire geschiedenis valt bij het bepaalde in lid 2 in de eerste plaats te denken aan overeenkomsten als bewaarneming en bruik- of verbruikleen, die voor onbepaalde tijd zijn aangegaan. Het gaat om gevallen waarin de verbintenis eerst na onbepaalde tijd nagekomen zal worden, zoals de verbintenis tot teruggave van de in bewaring gegeven zaak of geleende geldsom. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij deze bijzondere bepaling met name ook is gedacht aan tussen familieleden aangegane renteloze geldleningen voor onbepaalde tijd die - aldus de memorie van toelichting bij de Invoeringswet - vaak een slapend bestaan leiden en die pas na enige tijd aanleiding geven tot conflicten die het voor de schuldenaar aantrekkelijk maken om zich op verjaring te beroepen (MvT, Parl. Gesch. InvW Boek 3, p. 1410-1411, zie ook conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense d.d. 12 november 1999, ECLI:NL:PHR:1999:AA3369). Indien geen sprake is van een verbintenis van onbepaalde tijd zoals bedoeld is artikel 3:307 lid 2 BW en ook geen tijdstip voor nakoming is bepaald, dan kan de verbintenis ter stond worden nagekomen en kan ter stond nakoming worden gevorderd. Dit laatste volgt uit artikel 6:38 BW.
Het betoog van [eiser] dat op de geldleningsovereenkomsten, zelfs al zou ervan moeten worden uitgegaan dat deze in 2006 en 2007 tot stand zijn gekomen, de (lange) verjaringstermijn van twintig jaar van toepassing is (zoals bedoeld in artikel 3:306 BW) en deze niet is verstreken, kan niet worden gevolgd. De geldleningsovereenkomst is een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen en daarop is op grond van artikel 3:307 BW mede de (korte) verjaringstermijn van vijf jaar op van toepassing. De rechtsvraag die beantwoord moet worden is of de verjaringstermijn is ingegaan bij de totstandkoming van de geldleningsovereenkomsten conform artikel 3:307 lid 1 BW (zoals [gedaagden ] betoogt) of pas nadat [eiser] de geldleningsovereenkomsten heeft opgeëist conform artikel 3:307 lid 2 BW (zoals [eiser] betoogt). De rechtbank is van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat de geldleningsovereenkomsten zijn aangegaan met de bedoeling dat deze pas na onbepaalde tijd kunnen worden opgeëist. Het enkel ontbreken van afspraken over het moment waarop de geldleningen moeten worden terugbetaald respectievelijk kunnen worden opgeëist, is daarvoor onvoldoende. Gesteld noch gebleken is dat voor 2014 stuiting heeft plaatsgevonden.
4.9 [eiser] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [gedaagden ] als volgt vastgesteld:
- griffierecht € 2.277,00
- salaris advocaat € 3.760,00 (2,00 punten × € 1.880,00)
Totaal € 6.037,00
4.10 De gevorderde veroordeling in de nakosten is toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
5 De beslissing
De rechtbank
5.1 wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2 veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden ] tot dit vonnis vastgesteld op € 6.037,00,
5.3 veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 173,00 aan salaris advocaat,
- te vermeerderen met € 90,00 aan salaris advocaat en met de explootkosten als [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Cune en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2023.