Rb. Oost-Brabant 9 december 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:5383

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser dat hij heeft ingesteld in verband met zijn verzoeken aan de Raad met betrekking tot geschillen over rechtsbijstand die hij heeft in Duitsland, Spanje en België. In die verzoeken heeft hij de Raad gevraagd zich in te spannen om buitenlandse instanties ertoe te bewegen zich te houden aan de minimumvoorschriften die voortvloeien uit Richtlijn 2002/8/EG. De Raad heeft op deze verzoeken gereageerd en aangegeven niet aan de verzoeken mee te werken. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zij bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. Dit beoordeelt de rechtbank aan de hand van de artikelen 8:7, tweede en derde lid, van de Awb, artikel 8, derde lid, van bijlage 2 bij de Awb en artikel 7, derde lid, aanhef en onder f, van de Wrb. De rechtbank komt tot het oordeel dat niet zij, maar de rechtbank Gelderland, bevoegd is kennis te nemen van het geschil. De rechtbank acht de woonplaats van de indiener van het beroep bepalend voor beantwoording van de vraag welke van de vijf (ressorts)rechtbanken bevoegd is in grensoverschrijdende geschillen, waar geen Nederlandse advocaat in beeld is of geen aanvraag om toevoeging aan de orde is. De rechtbank volgt daarmee een eerdere uitspraak van de Afdeling, zij het dat zij voor de vestigingsplaats van de advocaat, de woonplaats van de indiener van het beroep leest. De rechtbank sluit daarmee ook aan bij de (algemene) regels over relatieve competentie. De rechtbank merkt op dat dit nu de tweede keer is dat onduidelijkheid is ontstaan over de uitleg van artikel 8, derde lid, van bijlage 2 bij de Awb. De rechtbank geeft de Raad en de wetgever daarom nadrukkelijk in overweging om bijlage 2 bij de Awb of het Besluit op dit punt aan te (laten) passen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken