Rb. Oost-Brabant 3 augustus 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:3260

Een stichting die een veerdienst exploiteert vraagt om inkomensondersteuning voor ondernemers i.v.m. de coronacrisis (NOW-3). De minister van SZW wijst de aanvraag af, omdat die te laat is gedaan. De stichting erkent de te late indiening van de aanvraag, maar wil toch dat die in behandeling wordt genomen. Zij wijst allereerst op de grote financiële gevolgen door het mislopen van de inkomensondersteuning en doet daarmee een beroep op het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank volgt de stichting hierin niet. In de toelichting op de NOW staat expliciet dat te laat ingediende aanvragen moeten worden afgewezen. Verder is de NOW een noodregeling die grofmazig is opgezet om de minister in staat te stellen in korte tijd geautomatiseerd grote hoeveelheden aanvragen om inkomensondersteuning te kunnen verwerken waardoor het leveren van maatwerk slechts in zeer beperkte mate mogelijk is. Ook wijst de stichting op de overmachtsituatie waarin zij medio december 2020 kwam te verkeren door het arbeidsongeschikt worden van haar (financieel) administratrice en het plotselinge overlijden van de toenmalig directeur-bestuurder, die met zijn tweeën verantwoordelijk waren voor de financiën van de stichting, en de (al eerder geplande) wisseling van de accountant per 1 januari 2021. Hierdoor was er binnen de stichting plotsklaps niemand meer met kennis over de financiën van de stichting. De in medio januari 2021 aangestelde interim-administrateur moest vervolgens de ontstane grote achterstanden wegwerken. De stichting doet hiermee een beroep op het zogenaamde buitenwettelijk begunstigend beleid dat de minister voert op grond waarvan in overmachtsituaties een te laat ingediende aanvraag toch in behandeling wordt genomen. De rechtbank volgt de stichting wel in haar betoog dat wat zij aanvoert een overmachtsituatie oplevert, maar zij oordeelt ook dat niet kan worden gezegd dat die overmachtsituatie heeft geduurd tot het einde van de aanvraagperiode die sloot op 14 maart 2021. Verder is de rechtbank het met de minister eens dat in de periode waarin dit alles speelde de NOW ook bij een interim-administrateur bekend mag worden verondersteld en dat hij zo nodig met de minister contact had kunnen opnemen om te vragen wat hij moest doen om (wederom) voor inkomensondersteuning in aanmerking te komen. Al met al is dus niet gebleken dat er op 14 maart 2021 nog sprake was van een overmachtsituatie.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken