Rb. Oost-Brabant 28 maart 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:1129
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de productie van amfetamine en MDMA in een drugslab. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op het produceren van MDMA in een ander drugslab. Beide strafbare feiten heeft verdachte verricht binnen een criminele organisatie. Als laatste heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk voorhanden hebben van MDMA en amfetamineolie. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van vormverzuimen dan wel van vormverzuimen waaraan een rechtsgevolg moet worden verbonden. De verweren die de verdediging dienaangaande heeft gevoerd, worden verworpen. Het verweer dat de verklaringen van medeverdachte - gelet op de Vidgenjurisprudentie - niet aan het bewijs kan bijdragen, wordt eveneens verworpen. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6,5 jaren. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 90 maanden. De opgelegde straf is gematigd door de overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 van het EVRM.
De uitspraak op rechtspraak.nl