Rb. Oost-Brabant 3 december 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:6302
Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. Het vertrouwensbeginsel is geschonden. De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling uit een eerdere veroordeling wordt afgewezen. Overwegingen, kort weergegeven: Aan verdachte is een transactievoorstel gedaan, waarbij in algemene bewoordingen is aangegeven dat bij aanvaarding daarvan het onderzoek zal worden gestaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte er onder die omstandigheden gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat bij aanvaarding van het door het Openbaar Ministerie gedane transactievoorstel ook het onderzoek betreffende de verdenking van tot dan toe gevoerde drugshandel en de eventuele vervolging daarvan niet langer aan de orde zou zijn. Het had op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen kenbaar te maken dat het onderzoek naar de drugshandel geen onderdeel uitmaakte van de door het Openbaar Ministerie ongeclausuleerde aanbod ‘het onderzoek’ te staken. Nu het Openbaar Ministerie het onderzoek, nadat verdachte akkoord was met het voorstel, heeft voortgezet en uiteindelijk tot vervolging is overgegaan, heeft het naar het oordeel van de rechtbank in strijd gehandeld met de beginselen van de goede procesorde, te weten het vertrouwensbeginsel. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een uitzonderlijke situatie die ertoe noopt het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.
De uitspraak op rechtspraak.nl