Rb. Oost-Brabant 19 november 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:6166

Verzoek om voorlopige voorziening hangende een beroepsprocedure tegen kapvergunningen. De bomen reeds zijn gekapt, maar de stobben zitten nog in de grond. Voor het verwijderen van de stobben is een aanlegvergunning vereist die onlosmakelijk is verbonden met de kapvergunning. Verweerder heeft niet onderkend dat hij de aanvrager (derde-partij) na de ontvangst van de aanvragen voor kapvergunningen in de gelegenheid moeten stellen om ook een toestemming te vragen voor het uitvoeren van werkzaamheden. De kapvergunningen zijn daarom genomen in strijd met artikel 2.7 van de Wabo. In de bezwaarprocedure heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen kapvergunningen nodig waren omdat op grond van artikel 28 van de Wet algemene regels herindeling (Wet Arhi) de APV van de fusiegemeente Veghel niet meer van kracht is omdat er na de fusie op 1 januari 2017 twee jaar zijn vestreken. De voorzieningenrechter overweegt dat dit zou betekenen dat in Veghel geen enkele boom meer beschermd zou zijn tegen kap omdat de Groene Kaart van de gemeente Meijerijstad (die bescherming biedt ongebreidelde kap) nog niet onherroepelijk is. In de artikel 19, derde lid, van Bomenverordening gemeente Meierijstad wordt naar de vervallen APV van Veghel verwezen. De voorzieningenrechter oordeelt dat artikel 19 van de Bomenverordening zo moet worden uitgelegd dat met de vaststelling daarvan ook de tekst van artikel 4, afdeling 3, van de APV Veghel opnieuw is vastgesteld. Artikel 28 van de Wet Arhi is niet van toepassing op een Verordening die is vastgesteld na de fusie in 2017. De kap was dus wel vergunningplichtig. Verweerder heeft dat niet onderkend. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De voorzieningenrechter schorst de primaire besluiten tot twee weken na de beslissing op bezwaar.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen