Rb. Oost-Brabant 4 november 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:5737
Volgens het UWV dient de compensatie (van de transitievergoeding) op grond van artikel 7:673e, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) te worden gemaximeerd. Eiseres vindt de maximering naar de maatstaven redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Op de vraag waar de onaanvaardbaarheid voor eiseres in is gelegen en wat de impact van het bestreden besluit voor eiseres is, heeft eiseres op de zitting bij de rechtbank te kennen gegeven dat zij ongeveer € 7.000 misloopt (rekening houdend met de schadevergoeding die eiseres in de loonsanctiezaak is toegekend, welke deels ziet op de transitievergoeding). De onderneming is daardoor volgens eiseres evenwel niet in de financiële problemen geraakt. Daargelaten of artikel 6:248, tweede lid, van het BW in deze bestuursrechtelijke zaak van toepassing is, oordeelt de rechtbank dat de gevolgen van het besluit voor eiseres ook gezien de uitdrukkelijk door de wetgever ingevoerde en gewenste maximering, niet bijzonder knellend en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Het betoog van eiseres kan reeds om die reden niet worden gevolgd. Het in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde evenredigheidsbeginsel, op grond waarvan de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
De uitspraak op rechtspraak.nl