Rb. Oost-Brabant 5 maart 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:1007
Jeugdwet. Aanvraag jeugdhulp voor jong meisje met het syndroom van Down. Early Intervention of Kleine stapjes methode. De rechtbank volgt niet het standpunt van het college dat de verzochte jeugdhulp preventief en daarmee niet noodzakelijk zou zijn. De rechtbank wijst er op dat ook het CIZ, in het kader van de Awbz, dat standpunt niet heeft, omdat een ontwikkelingsachterstand al bij de geboorte van kinderen met het syndroom van Down bestaat. Ook het standpunt dat de ouders hadden moeten onderzoeken of er nog andere mogelijkheden of middelen waren die een oplossing kunnen bieden, volgt de rechtbank niet. Het ligt op de weg van het college om te onderzoeken of er andere mogelijkheden of middelen zijn om aan de hulpvraag te voldoen. Er zijn geen eerstelijnsvoorzieningen bekend voor kinderen met het syndroom van Down. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden in het vertragen van de stagnatie in de ontwikkeling. Ook het standpunt van het college dat de aanvraag voor een jeugdhulpvoorziening betrekking heeft op gebruikelijke hulp wordt niet gevolgd. Nog afgezien van de omstandigheid dat gebruikelijke hulp niet een term is die in de Jw is genoemd en het nog maar de vraag is of een afwijzing gerelateerd aan gebruikelijke hulp past binnen de criteria van artikel 2.3 van de Jw, is de rechtbank van oordeel dat verweerder het Protocol gebruikelijke hulp ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. De methode Kleine Stapjes is niet zozeer bedoeld voor volledige verzorging en begeleiding van kinderen met het syndroom van Down, maar de methode voorziet in deskundige begeleiding van de ouders bij hun opvoedkundige taken. Het gaat dus niet om naar algemeen aanvaarde maatstaven gebruikelijke hulp, als bedoeld in het Protocol gebruikelijke zorg. De rechtbank ziet geen andere mogelijkheid dan dat de verzochte jeugdhulpvoorziening wordt toegekend. Omdat het college de gelegenheid moet krijgen om de omvang en duur van de jeugdhulpvoorziening vast te stellen, ziet de rechtbank geen aanleiding om, zelf in de zaak voorziend, de jeugdhulpvoorziening zelf toe te kennen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en geeft het college de opdracht een nieuw besluit te nemen.
De uitspraak op rechtspraak.nl