Rb. Oost-Brabant 2 december 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:5990

In 2012 en 2015 is een omgevingsvergunning verleend voor het in werking hebben van een inrichting. Hierin zijn geluidgrenswaarden opgenomen ter bescherming van het milieu (in dit geval de omgeving). Verweerder heeft deze geluidgrenswaarden gesteld om de geluidhinder voor omwonenden zoveel mogelijk te beperken. Beide vergunningen zijn onherroepelijk en van de rechtmatigheid van deze vergunningen moet worden uitgegaan. De rechtbank stelt voorop dat vergunninghoudster er gewoon voor moet zorgen dat de inrichting in werking is conform de geldende omgevingsvergunningen uit 2012 en 2015. Als de geluidgrenswaarden te streng waren, dan had vergunninghoudster rechtsmiddelen moeten aanwenden tegen die vergunningen. Te weinig geld of een slechte planning kan geen reden zijn om een investering in een overkapping ter beperking van geluidhinder acht jaar lang uit te stellen. Dit heeft tot gevolg dat omwonenden te kampen hebben met meer geluidhinder dan zij mochten verwachten. Het is ook meer geluidhinder dan verweerder toelaatbaar heeft geacht in 2012 en 2015. Het is de verantwoordelijkheid van vergunninghoudster om te voldoen aan de geluidgrenswaarden. Als zij ervoor kiest om een overkapping niet te realiseren, dan zal vergunninghoudster een andere oplossing moeten zoeken waarbij wel wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden. Het niet realiseren van de overkapping biedt onvoldoende motivering om in 2020 de geluidgrenswaarden verder te verruimen. Verweerder heeft dit niet onderkend bij het nemen van het bestreden besluit. de omstandigheid dat wordt voldaan aan de MTG waarden niet zonder meer rechtvaardigt dat verweerder de geluidgrenswaarden heeft kunnen verruimen. Verder bevat het bestreden besluit ten onrechte geen controlevoorschriften.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen