Rb. Oost-Brabant 23 september 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:4537
Bevoegdheidsincident. Betreft een zaak van een Nederlandse persoon (eiser in hoofdzaak) tegen een Cypriotische aanbieder van Contracts for Difference (CfD's) (gedaagde in hoofdzaak). Omdat de vorderingen van eiser, die voornamelijk zijn gebaseerd op het leerstuk van oneerlijke handelspraktijken, een duidelijke contractuele grondslag hebben, althans onlosmakelijk met de door partijen gesloten overeenkomst zijn verbonden, kan de Cypriotische aanbieder niet met succes een beroep doen op bevoegdheid van de Cypriotische rechter op grond van artikel 7 lid 2 EEX-Vo II. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser een "consument" is in de zin van artikel 17 EEX-Vo II. Eiser (zelfstandige in de IT-branche) deed de beleggingen om meer rendement uit zijn spaargeld (privévermogen) te halen. Geen aanknopingspunt om aan te nemen dat hij bedrijfsmatig handelde. Dat hij een ‘professional account’ had bij de aanbieder, is niet bepalend voor de vraag of hij de overeenkomst al dan niet als consument sloot. Omdat sprake is van een consumentenovereenkomst, is de forumkeuze voor de Cypriotische rechter niet geldig. De Nederlandse rechter is dus bevoegd in de hoofdzaak. Het door gedaagde gevraagde oordeel over het toepasselijk recht zal worden gegeven in de hoofdzaak. Het arrest ECLI:NL:GHSHE:2020:1377 geeft de rechtbank geen aanleiding om gedaagde de mogelijkheid te ontnemen tot het indienen van een conclusie van antwoord.
De uitspraak op rechtspraak.nl